vrijdag 12 juni 2015

Saskia Stehouwer: In de wachtkamer



In de wachtkamer
-

Huismeester

rechtop tussen een halve eeuw
aan sigarenbandjes en gescheiden afval
overziet hij zijn opties

twee nette pakken
aan een touwtje
boven de tafel

op dinsdag gaat hij naar de markt
koopt zijn bescheiden porties fruit
fluit een liedje voor een vrouw
die te goed weet wie ze is
op het dak prutst hij
aan een gangenstelsel

de stemmen die hem vertellen
dat hij ook kan springen

als iets de mensen niet bevalt
daalt hij af en vermaalt het
tot een gladde puree
die goed op de muren blijft zitten
die de monden vult en de lekkende buizen
onder de trap

elke avond kiest hij een huis uit om in te wonen
elke ochtend worden ze samen wakker

-
Saskia Stehouwer (Alkmaar, 1975) studeerde Nederlands en Engels aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkte ruim tien jaar als redacteur en projectleider op de Vrije Universiteit. Haar gedicht 'Glimp' haalde de top-20 van de Türing Nationale Gedichtenprijs 2012 en diverse van haar gedichten werden gepubliceerd in tijdschriften en bloemlezingen. In oktober 2014 verscheen haar debuutbundel Wachtkamers bij uitgeverij Marmer.

‘Wat doe je als je je oude manier van leven moet opgeven? Als al je oude manieren en gewoontes niet meer blijken te werken? Wachtkamers is het verslag van een ontdekkingstocht in een nieuwe wereld, waarin alles tot leven komt en controle vaak ver te zoeken is.  Het is een wonderlijk universum, waarin 'de hoekstukken kwijt zijn’.'


Een oude man zit in zijn hok en overziet zijn opties.

Wat hij allemaal kan of moet doen. Hij is zuinig opgevoed en koopt dus bescheiden porties en ja, hij fluit naar een zelfbewuste vrouw. Dat gangenstelsel op het dak? Dat zie je soms op flatgebouwen, maar het is ook een gangenstelsel in zijn gedachten. Als je boven staat zuigt de diepte aan je: je zou kunnen springen. De mensen in het gebouw hebben allerlei klachten; ze zeuren of ze zijn het overzicht kwijt. Hij zorgt er voor dat alles weer dicht is in hun huis en in hun hoofd.

Dat zegt iets over de manier waarop je schrijft. Je gaat uit van een waarneming, maar die krijgt een metaforische betekenis. De ik uit de bundel kan zich heel goed verplaatsen in andere dingen of mensen. Zij, zeg ik nu toch maar, kan voelen hoe het is om een baard te hebben.

Zo kun je dromen. ‘Vannacht ben ik een man die een vrouw kust’ is ook iets wat ik letterlijk droomde.
Vaak gaan de dingen leven in mijn gedichten. Iemand noemde dat animistisch. Ze krijgen een eigen leven.

Een kinderlijke kijk op de wereld.

Zo kun je het zien, je kunt het kinderlijk noemen. Het is magisch denken.
Een kinderlijke verwondering. Je kunt naar een flesje kijken met penselen en denken: voel je je wel prettig met al die penselen of ben je bang om te vallen?

Hij kiest elke avond een huis om in te wonen.

Hij kiest steeds een van die appartementen waar hij zich mee moet bemoeien. Daar trekt hij als het ware even in, mentaal eerder dan fysiek. Er zijn allemaal kamers in zijn fantasie. In zijn hoofd wordt hij samen wakker met de persoon die daar woont.

Het is dus een heel helder gedicht, en toch als je de bundel leest, denk je: het zijn wonderlijke droomgedichten.

Heel veel gedichten komen rechtstreeks uit dromen. Deze niet. Deze heeft met de buitenwereld te maken, een sociaal idee. Het is wel grappig dat er aandacht voor is, want dit gedicht heeft de bundel bijna niet gehaald, door mijn eigen selectie.

Hoe doe je dat als je een bundel maakt? Heb je een hele stapel?

Ik weet het niet, dit is de eerste keer dat ik een bundel maak. Er zijn er drie uitgelaten. De rest is alles wat ik had. Ik heb dus vrijwel niets over.

Hoe lang geleden heb je deze gedichten geschreven?

Het merendeel heb ik in de afgelopen twee of drie jaar geschreven, maar er zijn stukken van oudere gedichten, die ik uitgeplozen heb.
Ik schrijf al heel lang gedichten, vanaf mijn zestiende, maar de meeste waren slecht en pas sinds vier jaar, sinds mijn burnout, schrijf ik beter en sinds die tijd ben ik pas gaan denken aan een bundel.

Ben je beïnvloed door andere dichters?

Het antwoord is: ja, natuurlijk, maar dat zijn er zo veel en ze zijn zo divers. Heel veel niet-dichters ook, films en schilderijen, romans. Ik heb wel veel dichters gelezen, maar toch meer proza. Sinds vier jaar kan ik als gevolg van een zware burnout bijna niet lezen. Geen romans, hooguit een half uurtje per dag. Ik lees bijna niets.

Wonderlijk, dat je wel kunt schrijven.

Schrijven is naar buiten komen. Geen nieuwe informatie die naar binnen moet en die verwerkt moet worden. Het is een heel natuurlijke manier om alles wat daar opgeslagen is, al meer dan dertig jaar, naar buiten te brengen. Ik was bezig een proefschrift te schrijven over poëzie, maar eigenlijk wilde ik, blijkt nu, zelf een dichtbundel schrijven. Ik verdronk in de informatie. Bij zo’n proefschrift moet je wikken en wegen en ik ben veel meer een intuïtieve schrijver. Ik wilde liever schrijven wat ik mooi vond en ik wilde juist niet alles verantwoorden: welke auteur zei dat en vanuit welk perspectief? Ik werd er ongelukkig van en het maakte ook soms de gedichten kapot als ik er op los ging met al die theorieën. ** zin weggehaald ** Het ordelijke ligt me kennelijk minder. Ik wilde vrij zijn.

Je houdt ervan om dingen tegen elkaar aan te zetten die schijnbaar niet veel met elkaar te maken hebben, maar op een geheimzinnige manier toch wel.

Precies. Elke strofe lijkt over iets anders te gaan, maar dat is niet zo. Voor de lezer is dat misschien moeilijk. Lezers willen het graag aan elkaar lassen, omdat het één gedicht is. Dat snap ik. Ze moeten dus hun best gaan doen om het bij elkaar te krijgen. Misschien houd ik niet heel veel rekening met de lezer. Ik voel de verbindingen wel. Ik weet niet of ik het in alle gevallen goed kan uitleggen, maar ik voel wel dat dit bij dit hoort. Moet je de lezer helpen of moet je denken: dat kun je wel?
Ik vraag me ook af of je alles zo goed moet begrijpen. Laat het maar over je komen. Accepteer maar dat het er zo staat.
Ik merk wel dat het aan het eind van de bundel gemakkelijker wordt voor de lezer. Misschien is het een kunst om steeds helderder te schrijven. Het zou best kunnen dat je in contact met de lezer, bij het voorlezen bijvoorbeeld, meer naar hem toekomt. Het is interessant als de lezer het niet meteen snapt. Hij wordt gedwongen een luik open te zetten en anders te gaan kijken. Ik respecteer de lezer door hem serieus te nemen. Hij kan zelf verbindingen leggen. Ik daag de lezer uit.
Ik houd wel van poëzie die eenvoudig is, Vasalis bijvoorbeeld. Ik houd niet van poëzie die je vertelt wat je moet denken.

Heb je de achterflap zelf geschreven?

Uiteindelijk wel. Er was er eerst een die me niet zo aansprak. Nu staat er: ‘verslag van een ontdekkingstocht in een nieuwe wereld, waarin alles tot leven komt en controle vaak ver te zoeken is. Het is een wonderlijk universum, waarin de hoekstukken kwijt zijn.’ Je zit in de wachtkamer om dingen uit te zoeken.
Ik ben nu aan het werk in een natuurwinkel en ik tuinier. ** zin weg ** Mijn hoofd doet het nog steeds niet heel lang achter elkaar. Ik zit nu met mijn handen in de grond. Het is ook een poging om een beetje zelfvoorzienend te gaan leven. Dat is zo anders dan waar ik vroeger mee bezig was. Ik zou ook wel weer willen gaan coachen en dan vooral een levenshouding doorgeven van waaruit je kan schrijven. Hoe je jezelf in een toestand kunt brengen waarin je kunt schrijven, door onder andere te wandelen en te mediteren.

Heb je als kind slakken verzameld?

O, vanwege de slakken in de bundel. Dat heeft te maken met het trage, de wachtkamer. Bijna stil staan in de tijd. Er zijn in de bundel veel beesten en bomen die steeds terug komen. Dat realiseerde ik me pas later bij het lezen.

In ‘Wij sturen niemand naar bed' staat: 'teken een vis, zodat ik kan zien wat je handen doen’. Dat kun je zeggen tegen jezelf of een vriend.

Of tegen een kind. Eigenlijk is het tegen het kind dat er niet gaat komen.

‘wij leren niemand op te staan voor oude dames / wij kiezen geen scholen uit’. Er is geen kind.

Er komt geen kind. Ja, dat heeft ook voordelen. ‘Niemand zegt zijn eerste woord tegen ons’. Dat is pijnlijk. Maar ook: ‘onze tijd kijkt helder uit zijn ogen’. We hebben geen slaaptekort. We zijn meester over onze eigen tijd. We worden niet geregeerd door het hele kindergebeuren. We hebben ruimte over. ‘Wij missen niet’. Het was goed. Het was zoals het was. Het was kennelijk niet de bedoeling. De drang nam ook af. Ik kan me voorstellen dat het erg is, als je hartstochtelijk kinderen wilt, maar wij hadden dat uiteindelijk niet zo sterk.
Mensen willen graag overal controle over hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld enorm zeuren over het weer, maar het is er gewoon. ‘Regen tikt mensen aan die het niet verdienen’. Hou op met proberen te weten hoe het allemaal zit en moet en let op de dingen om je heen. Dat is veel leuker eigenlijk. Het heeft te maken met het afstappen van het uitgezette pad. Laat het komen zoals het komt.

Wat is het criterium om de woorden te laten staan?

De dichtregels komen in rijen van drie of vier. Dat zijn de strofen. Soms komt een gedicht zo achter elkaar, soms schuif ik en vlecht ik de strofen die bij elkaar horen. Het gaat intuïtief. Dit hoort bij dat en zo klopt het. Ik kan er geen mooi betoog over houden hoe ik het doe. Voor mij is het gedicht één geheel, maar ik kan me goed voorstellen dat het voor de lezer lastig is. Ik ben kritisch over wat er staat, maar in de helft van de gevallen komen de gedichten in één keer en dan is het klaar en dan weet ik dat en dan hou ik gewoon op. Niet uitpersen dus. De andere helft kan een puzzel zijn. Wanneer ben ik klaar? Meestal als het een bepaalde lengte heeft. Dat is kennelijk de natuurlijke lengte voor mij. Op een gegeven moment kan er niks meer bij of af en dan is het klaar. Het is geen afgewogen, rationeel besluit.

In het gedicht inkt staat: ‘het was een vuile winter / vol bevroren schapen’. Dat is een lekker beeld. Ik zag die schapen dood op hun rug liggen vanuit de trein, in dat natuurgebied bij Lelystad. Ze mogen ze niet bijvoeren. Dat rare witte wollige van die schapen in de sneeuw. Wat heeft het te maken met het huis in dat gedicht? Ze kunnen allebei niet ontsnappen. ‘Na twee ontsnappingspogingen / liet het huis zijn hoofd hangen’. Er is iets wat sterker is dan wij. We kunnen niet alles controleren.



===

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen