woensdag 18 september 2013

Momenten van genade Liesbeth Lagemaat



Liesbeth Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962)  debuteerde bij Wereldbibliotheek met Een grimwoud in mijn keel (2005) (C. Buddingh'-Prijs 2005). Haar gedichten verschenen eerst in de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Maatstaf.
Een koorts van glas verscheen in 2007. Joost van de Woestijne verzorgde de grafische vormgeving; dat deed hij ook voor de in mei 2009 uitgekomen bundel Handlanger - Het witte kind.
==

Je kreeg de Buddingh'-prijs voor je eerste bundel. In de jury zaten Maria Barnas, Wim Hofman en Sigrid Bousset. Zij begrepen kennelijk de gedichten, maar sommige critici hadden er moeite mee. Zo was er één die Venus en Athene door elkaar haalde.
Heb je daar last van?
Betreur je het als iemand jouw gedichten misinterpreteert?

L.L. Zo gauw iemand een tekst gaat lezen, is het zijn of haar tekst geworden. Ik geef mijn tekst al weg zo gauw hij op papier staat en ik denk dat hij klaar is.

Je zegt in dat gedicht ('Venus (niet die van Botticelli) uit een grimwoud in mijn keel): 'Plan A: een gat in je gezicht geslagen, / met een voorhamer misschien of desnoods een tennisracket'. De criticus denkt aan Athene, omdat zij uit het hoofd van Zeus is geboren.

Venus (niet die van Botticelli)

Plan A: een gat in je gezicht geslagen,
met een voorhamer misschien of desnoods een tennisracket,
je moet begrijpen, het gaat hier om een straf, wij
spreken van rechtvaardigheden. Zinloosheid is

een parelmoeren doosje, een bijouterieënkistje
vol dierbare obsceniteiten, maar niettemin.
Mijn haar vloeit uit, azuur, mijn lijst is afgezet met
knalroze marshmallows, tempera ben ik, op hout.

Uit zeeschuim, werkelijk? Toch schijnt de wenkbrauw
niet meer dan een litteken, de slapen in hun weekdierenbestaan:
één duimafdruk volstaat. Ik, de met spinrag bedekte?
Kleefdraad, een web van ijzertaal, wij beminnen in woorden van glas.

Het glas is zand plus hitte. En jij noemt je Vulcanus?
Een huidschil dekt de oogbal toe, alles verliest zijn vorm.
De haat verdampt, wij werden gebouwd rond een haarvatenstelsel
van angst. Altijd veel te zachte vingers.

==

Ik ben een agressief type. Het heeft niks met een schilderij te maken. Ik heb een keer in een toneelstuk gespeeld en daarbij werd gezegd door de regisseur: 'Denk aan de Venus van Botticelli, haar houding' en op een gegeven moment was ik het zó zat om aan die dame te denken...
Dit is de weerslag van een ongelukkig aflopende liefde, met alle wraakgevoelens die daarbij horen.

Ik dacht aan Dali.

Ik hou niet van alles van Dali, maar ik hou wel van zijn manier van kijken. Voor mij is dat niet raar. Het surrealisme is me niet vreemd.

'En jij noemt je Vulcanus?'. Dat is een verwijt aan de ex-geliefde.

Ja zeker, man, flikker op jij!

Vandaar ook de 'Wraak van Penelope' op de bladzijde er naast.

Ik hou er wel van dat suikerzoete om te draaien. In de tweede bundel staat een gedicht over Odysseus en Penelope. ('Klassieke tango tussen de held, O., en zijn P.')  Dat hebben Maria van Daalen en ik weer gespeeld bij de presentatie van mijn derde bundel, op 14 mei. Het was een mooi feestje in het Schiller-theater, precies zoals ik het wilde hebben. Met een volle bak, prachtig weer, mooie voordrachten, Maria erbij en het Trio Drie Eilanden, die gedichten op muziek zetten van Vestdijk, Marsman en van een paar moderne dichters.

Daar zit Dick Vestdijk in?

Ja, hij zingt de gedichten totaal anders dan ik ze voordraag, maar ik vind het leuk om mensen te laten horen dat het ook zó kan met een tekst.

Ik wil jouw stem: de nauwelijks onderdrukte woede waarmee jij het leest, de heftigheid. Hij maakt het zoet.
Heb je Erik Jan Harmens vorige week gelezen in Trouw  over 'Ik wil een bijl'? Een soort manifest. Hij zegt daarin dat poëzie urgentie moet hebben. Ja, wie vindt dat niet? Poëzie mag geen versiering zijn, geen cadeautje, geen ijdeltuiterij. Het moet maatschappelijke relevantie hebben.

Dat vind ik echt heel zielig. Ik krijg het idee: o, daar gaat de jongensclub weer aan de gang. Jongens, hier heb je allemaal een lolly en ga maar weer lekker verder spelen. Het zijn altijd de jongens die met iets komen. Het is ijdelheid. Ze moeten op de tamtam om te laten zien dat ze bestaan. Nou, ik besta, heel erg, maar ik hoef niet voortdurend op de tamtam te trommelen.
Wat ik aperte onzin vind is het gezeik over maatschappelijk relevante poëzie. Er wordt dan zo'n wet opgehangen. Voor maatschappelijke relevantie hebben we heel andere media: een essay of een journalistiek stuk. Poëzie beschrijft het gebied daarachter. Wat is de kern, waarvoor zitten wij hier? Dat  is wat mij interesseert en ik zal nooit naar één wet luisteren of daarvoor buigen. Bij mij is dwingend wat bij mij naar boven komt: dát is poëzie.
Er zijn kennelijk mensen die dolgraag dichter willen zijn en daarvoor die wetten nodig hebben of die het nodig vinden om wetten te verordonneren. De ware dichter zal er niet naar luisteren en als hij het hoort, zal hij er zich niets van aantrekken. Het mag van mij hoor, maar het interesseert me niks.

In 'Hortus conclusus' waarmee je de eerste bundel opent, schrijf je aan het slot van het gedicht: 'Zie hoe de vijver, de bodem, / en het kind, het wist nog niet van Troje.' Daarmee zeg je, denk ik: het kind is nog beschermd, maar het leven zal hem helaas leren dat Troje, de vernietiging, er aankomt. Dat is jouw urgentie.

Voor mij is het heel belangrijk dat ik de kinderlijke onbevangenheid weer op het leven terug verover, door alle angst en pijn en teleurstellingen heen. Op sommige momenten is het er gelukkig weer ineens, die eenvoud en de stilte. Toen ik zeventien was, heb ik in een dagboekje geschreven: 'ik wil luisteren alsof ik gister nog doof was en spreken alsof ik gister nog stom was' en dat wil ik nog steeds. Het is een motief van mijn bestaan. Als ik naar de pad in de vijver kijk, wil ik zijn als een pad en als ik de huid van mijn geliefde streel, dan wil ik ook die huid zijn, zoals ik wil proeven alsof ik die chocola ben in mijn mond. Die intensiteit moet je hebben als je schrijft. Als je je niet werkelijk interesseert voor de stuifmeel uit deze grassen op tafel, is het alleen maar een woord. Als je die drang hebt - om je te vereenzelvigen - dan komen er momenten van genade. Je zit er dan midden in. Het lijkt een religieus, mystiek moment. Concentratie. Voor mij zijn dat wezenlijke momenten.

Dat had je al heel jong.

Ik heb altijd geschreven.

Hoe komt het dat je betrekkelijk laat ( je was 43) bent gedebuteerd?

Ik heb jarenlang moeten boksen om het hoofd boven water te houden en ik had andere dingen te doen dan naar een uitgeverij te zoeken. Ik schreef en wat ik schreef kon ik bij De Tweede Ronde  kwijt. De redactie toen nam alles op wat ik schreef. Dat vond ik heerlijk. Ik had nog niet het idee dat ik het moest bundelen in een boekje. Ik stond ook in Maatstaf voor de redactie uit elkaar spatte. De mensen van De Tweede Ronde waren ook aanwezig op de presentatie van de nieuwe bundel.
Misschien was het niet zoeken naar een uitgever eerder angst dan bescheidenheid. ‘Liesbeth, wat haal je je nu weer op de hals?’


Je bent in Bergen op Zoom opgegroeid?

Ik heb daar maar een paar jaar gewoond. Wel ging ik er altijd heen in de vakanties, naar mijn opa en oma. Dat was vreemd. Ik kom uit een raar nest. Laat ik het daar maar op houden. In dat huis, een oud huis, met een kelder, een binnenplaats en een gek schuurtje dwaalde ik rond. De stenen daar ademden en zuchtten. Bergen op Zoom is een oude stad. Ik kwam met mijn oma in een heel oude kerk, met een driehoekig oog.  Het was allemaal onbegrijpelijk en spannend. Er was daar een wereld achter een wereld. Boven aan de trap in het huis waren gebeeldhouwde engeltjes. Die kwamen tot leven 's nachts. Ik voelde als kind die grote vleugelslagen door het huis heen. Mijn moeder heeft daar een heel katholieke jeugd gehad.

En zij gaf dat niet door?

Zij gaf niets door. Mijn moeder was een prinsesje voor zich zelf.
We hebben een tijd in Delft gewoond, in een studentenflat. Mijn vader studeerde daar. Dat was voor mij een gelukkige tijd, voordat het gezin uit elkaar spatte. Daarna was het of er één zwart gordijn over me werd heengegooid.. zzoem... en toen was het allemaal afgelopen. Daarover wil ik het niet hebben.
Ik heb in Delft een aantal jaren op een Montessorischool gezeten en daar heb ik de rest van mijn jaren iets aan gehad. Dat was fantastisch. Daar kon je toneelspelen, zingen, muziek beoefenen. Daar werden de klassieke verhalen voorgelezen. Je hoefde niks te doen, maar als je zin had en wou, dan kon je heel veel. Ik wou veel. Ik was vriendin van Marijn van der Jagt, die later journaliste werd. Ze schrijft over theater. Ik was 7, 8 jaar en ik dacht: later verover ik de wereld, dat kan niet anders. En toen, ineens, ...whoemm... was alles afgelopen. Ik wist wel: Liesbeth, onthou wat je hier hebt geleerd. Nu komt er niks meer bij. Alles wat je leert, moet je verder zelf doen.

Je bent later Nederlands en Taal- en Letterkunde gaan studeren; je bent journalist geweest, je hebt reclameteksten geschreven. Je bent account-manager geworden.

Dat vond ik heel erg leuk. dat was een mooie rol om te mogen spelen. Ik heb het een aantal jaren gedaan, tot ik het zat was, maar ik vond het leuk om iemand wat te verkopen. Ik verkocht taaltrainingen.

Onder ons stroomt een boze rivier - dat maak ik op uit je gedichten. De wereld is een gevaarlijke plaats.

Ja, de wereld is een gevaarlijke plaats.

De titel van je recente bundel: een handlanger is een helper. Het witte kind is een handlanger. Het lijkt allemaal in een koorts geschreven.

Dat is ook zo. Ik schrijf alles in één keer op en ik peuter niet meer aan de gedichten. Vroeger had ik heel zenuwachtig een notitieblokje bij me, maar nu heb ik het vertrouwen dat ik alles kan opschrijven als het klaar is. Hoogstens verander ik soms een woord. Ik ben dagen lang verschrikkelijk onrustig  en dan schrijf ik zo'n gedicht in één keer op. Het voorwerk doe ik in mijn hoofd.

Je begint met 'Vlugschrift', een intro. Je breekt het open. Ik heb het idee dat je in deze bundel nog meer de diepte ingaat.
'Maar vandaag zeg ik u, is het tijd om uzelf uit te trekken / en taal kapot te slaan tegen de muur.'
En verderop: 'Ik kom uit kapot.' en aan het slot: 'Wijst u mij dan zoals ik ben. / In een witte, wijde schedel wandelt, kalm en ernstig, een melodie.'
Die melodie moet in de bundel gezongen worden.
De dichter gaat zich meer bloot geven dan in de vorige bundels.

Dat is waar. Als je je serieus met kunst bemoeit, schrijven of schilderen, dat maakt niet uit, dan moet je iedere keer verder in je blote kont staan en dat is ook wat mij verder helpt en dat voor mij het leven de moeite waard maakt. Van ieder stuk vel dat ik van me aftrek word ik vrolijker.

Je begint dan met een visioen en je noemt het 'Opnieuw een leegte'.

Daar is een erge drukfout. Er moest boven staan 'Triptiek in wit' . Maar het staat wel in de inhoudsopgave.
De leegte is tegelijk vol. Ik ben niet iemand die het leven als zinloos wil zien. Het is een beetje mode om te denken dat er niets is, dat er geen God is. Daar weten we geen barst van. Je mag niet zo maar spreken over dingen waarvan je niets weet. Het zou niet intellectueel zijn om in God te geloven. Ik ben niet van de E.O. of van de creationisten, maar ik bespeur in mijn leven telkens op momenten dat het zwart mij wil inhalen, dat ik door het licht wordt opgetild. Op een prachtige manier en dan ga ik door. Noem dat God of noem ‘t dat wat wij niet kunnen noemen. Ik wens respect te hebben voor dat wat mij draagt en wat ik niet begrijp. Noem het adem. De afgelopen zomer is mijn geliefde Theo (aan wie de bundel is opgedragen) erg ziek geweest. Het zag er doodeng uit. Hij is volledig hersteld. De artsen verwachtten vreselijke dingen, tot aan een verpleeghuis toe. Ik heb gezegd: dat zullen wij nog wel eens even zien. Ik geloof er niets van. Ik liep door de straat naar het ziekenhuis toe en ik had het idee dat ik gonsde en dat er een gonzen in de lucht was. Ik merkte dat iedereen naar me keek. Er was iets bijzonders aan de hand. Ik ging naar Theo toe en alle mensen die daar lagen met vreselijke kwalen werden door ons opgetild. Ik ging zo in liefde, maar ook in die kracht naar het ziekbed toe. Mag ik dankbaar zijn voor die genade? Ik hoorde van Rossini 'Heer, ontferm u over ons' op de radio. Ik heb thuis zitten huilen en bidden op mijn eigen manier - weet ik veel hoe je moet bidden - . Ik heb die muziek gekocht en iedere keer als ik het hoor, krijg ik een knal in mijn hart. Dit bestaat dus. Ik kan echt goed nadenken hoor, maar ik hoef niet cynisch te doen. Het maakt me niet uit als ik het niet begrijp. Wat er is, dat is er. Dan ga je ook anders schrijven.

Triptiek in wit
een visioen
I
Toen legde het water haar vingers over de rand.
En de aarde raakte zwart. Doordrenkt. Korrels zand,
stenen zwollen op, hun droge vormen werden uitgewist,
het vocht dwong alle kiezels, alle brokken aarde
buiten hun oude lijnen. Ik zag de stenen water drinken.
De huid van de wereld kolkte, schokte, grassen en
moerasplanten schoten op aan de vijverrand. Gele lissen
staken hun spitse tongen uit naar het licht.
Het was het kind dat de golven maakte. Ik kende haar
witte omtrek. Wanneer ze ’s nachts in de tuin
als een druppel, een mot of een vleermuis met vleugels
van vilt, een jonge merel in de dakgoot, verdwaald,
haar blank verschoten tot bruin – wanneer ze de adem was
van slapend kruid, de vijver wees, de tijd in kringen telde,
dan wist ik mij moeder en kind van dit kind. Haar handlanger.
Ze heeft me de taal van het water geleerd. Van de lucht,
die stilte is en alles doordringt, de pels van de mens verzacht,
zijn stenen wangen warmt. Mijn schedel.
Als het kind mij bezocht, kon ik mijn hoofd laten smelten.
Werd ik druppel. Of korrel. Of stuifmeel. Word ik
het rood van de bessen, de bessen die door de lijsters
worden gegeten, word ik een lijster, zijn snavel. De klank
van zijn keel. Noemt mij de keel. Noem ik mij: handlanger.
Leg ik mij in de afdruk van het kind. De witte contouren
mijn queeste. Staat het kind uit de vijver op en loopt,
zal ik elke voetstap volgen.
Vannacht nam het mij mee. De vijver een gang, corridor.
Naar een andere scherf van de tijd.

Het visioen begint zo: 'Toen legde het water haar vingers over de rand. / En de aarde raakte zwart.' En verder: 'Het was het kind dat de golven maakte. Ik kende haar witte omtrek' en 'dan wist ik mij moeder en kind van dit kind. Haar handlanger. / Ze heeft me de taal van het water geleerd.'
Wie of wat is dit kind? Geheim, ongeboren, dood, dubbelganger, bron, het kind dat je was, metafoor van het individueel onbewuste, de inspiratie, de motor van het schrijven?

Dat is het allemaal, maar het is ook ... Ik heb heel lang gewacht met er over te schrijven, want ik dacht: als ik het beschrijf, maak ik het stuk. Ik krijg nu kippenvel. Toen ben ik het toch op gaan schrijven, maar ik dacht: ik doe het zó mooi dat het niet stuk kan. Dat het voor mensen die dit lezen duidelijk is: het bestaat. Ik heb op momenten dat het moeilijk was in mijn leven het kind zien verschijnen, zoals je in een droom iets ziet. Maar nu niet in een droom. Ik dacht: als ik er nu wel over schrijf, heel mooi, zoals het ook is, en heel respectvol en integer en met alle eer die  die verschijning toekomt en eigenlijk gewoon opschrijven wat er gebeurt, dan geef ik het een plek en dan moffel ik het niet weg. Ik schrijf over de dingen die voor mij belangrijk zijn. Als ik hier niet over schrijf, dan hou ik iets achter. Ik moet hier over schrijven.

'Als het kind mij bezocht, kon ik mijn hoofd laten smelten.' Ik moest denken aan Hadewijch en de Minne.

Ja, ja. Het is genade, inspiratie. Er zijn mensen die niet geloven in inspiratie. Je moet gewoon gaan zitten en wat doen. Daar ben ik het niet mee eens. Ik schrijf als het moet.

Hier staat: 'Werd ik druppel. Of korrel. Of stuifmeel.' Je wordt wat je ziet. Concentratie. Je wordt de lijster en de klank van zijn keel.

Ik vind het helemaal niet erg als iemand het lelijk vindt of niet mooi of als iemand het niet begrijpt. Er zijn gelukkig mensen die het wel mooi vinden en die het wel begrijpen en daar ben ik heel blij mee. Voor de anderen heb ik het niet geschreven. Ik ben geen journalist.

In II ga je Nijhoff achterna. Ik weet niet of je dat bewust doet.
'een geur van honing, nectar hing als een bedwelmend kleed / boven de tuin. (...)
Vanuit de verte wenkte mij het witte kind. / Haar vingers speelden met het gras, moeiteloos / plukte ze vlinders van een wolk en stak die als bloemen / in haar haren. (...) Toen ik keek naar het kind voelde ik mijn pantser zacht worden, (...)
Ik groeide en werd nieuw.'
Bij Nijhoff: een geur van hogere honing en het kind dat hem zijn gedichten voorschrijft in het water in 'Het kind en ik' uit Nieuwe gedichten.

Dat heb ik niet gezien, maar wij drinken natuurlijk allemaal van dezelfde bron. We hebben een gedeeld verleden.

Bij Nijhoff vind je net als bij jou vaak het werkwoord 'breken'. Iets breekt open.
In het volgend gedicht citeer je Engelman en Gorter.

Dat is bewust gedaan.

Het gaat verder met 'Stening', 'Wording', 'Breking', 'Klinking': dat lijkt een reeks. Zijn die ook in volgorde ontstaan?

Dat weet ik niet zo precies, maar ze zijn wel in dezelfde tijd geschreven. Ik heb net een evaluatie van mijn eerdere werkplan geschreven voor het Fonds van de Letteren, dus ik heb het nu op een rijtje. Ik wilde een reeks, het gaat over de liefde. Daar moet het visioen komen en daar het tweede. Die moeten de bundel omarmen.  Er komt een opmaat en er komt een spiegel in het midden. Dat is ' De wereld' zegt ze, 'werd nooit moe'. Centraal staat 'Lied van het witte kind'. Je hebt de 'Monologen van vertwijfeling'. De spiegel zorgt er voor dat de visioenen naar elkaar kunnen kijken, maar ook in zich. De visioenen zijn als middeleeuwse altaarstukken, twee triptieken. Ik maak dus een raamwerk en dan weet ik wat bij elkaar hoort. Ik wist zeker dat 'Voor de liefde, die liefde is en eindig' moet helemaal op het eind, maar het visioen moet daar weer achter. De bundel eindigt met de regel 'Kusten mijn lippen het kind'. Dat is het einde van alles. Dit is wat ik wil. Dat mag je op mijn grafsteen beitelen. Het loopt van woede in het begin tot het luwen van die woede en een innerlijk besef. 'Op  dit onbewaakte moment // Ik begin met niets.', dat moet ook aan het eind, omdat ik een cyclische beweging aan het maken ben. In de opmaat zeg ik: 'is het tijd om uzelf uit te trekken / en taal kapot te slaan tegen de muur.' en verder 'Het moet. Ik wil. Het kan. Nieuw smaakt het gestolen ei' en op het eind zeg ik: 'Ik begin met niets.'
Het had in de typografie duidelijker naar voren mogen komen, maar dat wordt een gevecht met de vormgever. Hij heeft er een mooie bundel van gemaakt, maar voor mij hadden de gedichten die gaan over 'het witte kind' in een ander lettertype gemogen, maar ja, dan krijg je typografisch allerlei problemen. Ik had al een lettertype er bij door de tegenstem in een aantal gedichten, zoals op p. 14: 'Alle appels blozen. Ik wrijf het stof van je schil.' Dat cursief is geen citaat, maar een tegenstem.

In 'Stening'  (p.17) toon je je een soldaat.

Ja, dat ben ik ook. Ik ben een soldaat.

'Gread and Fear'?

Dat heb ik te danken aan Theo. Hij is natuurkundige, maar hij houdt zich nu bezig met economische beschouwingen en leest veel Amerikaanse artikelen. 'Gread  and Fear' duikt voortdurend op. Ik vind het echt zo'n kreet die op een akelig spookkasteel hangt. Dit is wat ons mensen steeds dwarszit: hebzucht en angst.

Waar komt de kraai vandaan in 'Breking'

Dat is 'eine Krähe' uit de liederen van Schubert. (Winterreise) 'Eine Krähe' staat ook in een liefdesgedicht in Een koorts van glas.



De uitspraak die je in dat gedicht doet, is 'Liefde kan alleen voorbijgaan'.

Weet je wat er gebeurt? Theo is de liefde van mijn leven. Ik draag elke bundel aan hem op voortaan. Dat zei ik toen hij in het ziekenhuis lag. Er was een moment vorige zomer, dat ik dacht: Liesbeth, er zijn een paar zeer leuke, intelligente, interessante, mooie, boeiende vrouwen die jij kent, die weduwen zijn. Dat kan ook jou gebeuren. Het is ten goede gekeerd gelukkig. We hebben het om kunnen keren, maar stel je voor... De grootste kostbaarheid die je als mens kunt ervaren is liefde. Misschien heeft de ene er wat meer talent voor dan de ander. Hoe beter je jezelf niet op de voorgrond zet op momenten dat dat nodig is, hoe meer je geschikt bent voor de liefde. Liefde is altijd dienend. Later krijg je daar wat voor terug, naar we hopen. Dienen. Dat is niet saai of vervelend! Ik hoop dat mijn kinderen er achter komen: liefde is eerst dienen. Op het moment dat het object van je liefde dood is, is de liefde heel anders geworden. De persoon is een herinnering. Maak er maar een muze van, maar wat er is, de chemie tussen twee mensen, die elkaar aanraken, elkaar zien, iedere keer weer, dat is er niet meer na de dood. Het ervaren, het zintuiglijke, het menselijke, is er niet meer. Daarom zeg ik op het eind ook 'Voor de liefde, die liefde is en eindig'.

'Van het trage water' - een oud lied, ergens gevonden-
Was dat een herinnering?

Nee, ik was toen erg in de put om het eufemistisch uit te drukken en ik zat met mijn voeten in de modder van een rivier. Ik heb het gedicht dus daar  gevonden. Dit is een super ouderwets gedicht.

Dan komen we bij 'Lied van het witte kind'; Daar hoor je drie stemmen: de verteller, de ik en het witte kind. Het sleutelgedicht, denk ik.


Ja.

==
‘Er is iets vreemds met licht: het is altijd witter
dan je dacht.

   Waar had ik je begraven? In het licht?

En scherper is het, scherper dan je dacht: zie
hoe het licht het blad in tweeën snijdt.

   Heb ik je soms verbrand, verstrooid?
   Hoe lang heb je gedreven op lucht, op wind?
   Was je as één wolk, kon ik je zien?

'Ik daalde neer. Op het blad. Op het gras.
Je hebt me als stof van je schouders geveegd.'

Er is iets vreemds met wie zich begraven liet:
er was in de aarde nooit een plek. Geen afdruk,
geen kuil, weer toegedekt.

'Je begroef me in blauw. Er zat een winkelhaak daarboven,
een scheur waar ik paste'.

   Moet ik me schuldig voelen?
   Je kent de wet van het lijfsbehoud,
   er was geen plaats voor twee.

Er is iets vreemds met wit: het trekt.
Vult ruimte.
Wit heeft van alle kleur de volste klank.
Als er niets is, is er toch nog wit. Licht.

   Hoe kon je zo weg zijn
   en zo overal aanwezig?
   Waar had ik je begraven, kind,
   in het licht?

'Je hebt me als zand uit je laarzen geklopt,
je sloeg een cape om tegen mij, ik was de regen.'

   Er was geen plaats voor twee.

'Ik heb gesneeuwd voor je deur.'

   Er was geen plaats.

'Ik heb je ijsbloemen gebracht en maanwater,
parels dreven in je vijver 's nachts.'

   Er was geen plaats. Ik sliep.
   Mijn ogen doen het niet
   als ze zijn ingepakt in donker.

'Mijn adem groeide, onder je raam.
Ik wortelde. In je grond. In je lucht. Er was
geen grens aan je ruimte, ik fluisterde
dat er geen grens was.'

   Mijn ogen waren ingepakt. Hoe kan ik horen
   als het donker is?

Er is iets vreemds met het kind.
De klaproos zegt dat het kind rood is en ongestorven,
de distel dat het prikt en ongestorven is,
de brandnetel dat het brandt en nooit gestorven is,
de zwam dat het woekert en dat wat woekert, leeft.

   Er is geen plaats.

'Ik ben de plaats.
Wij dragen elkaars omtreklijnen.'

Er is iets vreemds met het licht. Het dringt in alles door,
als water.

'Drink mij dan gewoon.
Ik ben het.'
==

De ik zegt: 'Moet ik me schuldig voelen? / Je kent de wet van het lijfsbehoud, / er was geen plaats voor twee.'
Ik heb gedacht aan Hans Andreus en C.O.Jellema, die schrijven over een schuldgevoel, omdat ze de helft van een tweeling waren.

Dit is een soortgelijk motief, maar het is anders, want er is geen lijfelijk kind en op een gegeven moment zeg je: kom dan maar. Het kind zegt: 'Drink mij dan gewoon. / Ik ben het.' Hier geef je je nog niet gewonnen. Op een gegeven moment zegt ze: 'De wereld werd nooit moe, het was haar schaal die kraakte' en dan zegt de ik: 'Kom. Ik zal je mijn huis laten zien, mijn geliefde, mijn kinderen. / Welkom in de kamers van mijn ziel.' Er is aanvankelijk angst, waarna je uiteindelijk komt bij degene die zegt: dit is de kiem van het leven.
Een paar dagen geleden zag ik een stukje op de tv van drie nonnen die werden geïnterviewd achter de tralies en één non was zo verschrikkelijk verliefd en die hoorde alsmaar dat zij in het klooster moest intreden en uiteindelijk heeft ze dat gedaan. Dit lijkt er een beetje op: je hoort een stem en daar moet je op ingaan, maar eerst zit je met alle scepsis en je ego dat je in de weg zit. Als je dat hebt afgelegd kun je die weg gaan. Dan kun je luisteren naar de stem die wijst: dit is de kiem van de aarde. En het mooie is dat wij dit allemaal hebben. Ik heb altijd gedacht: als het meest kostbare in het leven niet door iedereen kan worden begrepen, dan bestaat het niet. Het moet voor iedereen die bereid is te luisteren, mogelijk zijn. Zo eenvoudig moet het zijn. Uiteindelijk. Maar zo moeilijk om er te komen. Daar gaat dit over.

Als je niet wordt als een kind, zul je het rijk der hemelen niet binnengaan.

Ja, natuurlijk. Bijbelverhalen. Het was lang mode om het van ver te halen, uit Tibet. Zo dweperig! Wat ik graag wil is datgene wat als parels voor onze voeten ligt, dat we dat niet kapot trappen, met grote poten alsof het grind is. Dat moeten we ook zien. Waarom zou je op de middelbare school tijdens de literatuurles niet het Hooglied lezen? Het ligt zo voor de hand. Als je wil toegeven dat het leven een groot geheim is en dat je er niets van begrijpt, dan zou je misschien eens een prachtige tekst kunnen lezen die bij jouw oma in de boekenkast stond. Dweep niet met het veraffe, waar je niets van snapt.

Het grote verschil tussen de westerse en oosterse mystiek is dat men in het oosten streeft naar het Nirwana, het grote Niets, los van de individualiteit en in het westen wil men de Ander ontmoeten, met behoud van die individualiteit. 

Ik ben natuurlijk heel erg westers.
Het witte kind wil ik verder niet benoemen, daarmee wordt het vervalst. Je kunt er ook geen afbeelding van maken. Je mag het misschien in het zand tekenen en dan weer uitwissen.

In 'Brieven naar de dag van vandaag'  figureert een heggenmus. Hij komt ook elders in de bundel voor. 'Zegt wie? Zegt hij, de heggenmus. Luister dan wat hij vertelt.' (...) (Zegt hij dit, de mus, hij kent mijn verhaal: '/ 'ik had een Maagd in mijn hof weet je nog? Ze leek op Haar die we niet // zullen noemen. Jij, je riep haar als kind. Ze kwam, maar uit haar oog / en haar stem staken gloeiende naalden-')
Wat betekent die mus? Is die mus een soort beschermeling tegen de moeder? Of juist ook een soort slachtoffer?

In deze bundel is de moeder een moeder tegen wil en dank. Er staat: 'Autarkische moeder: / spreekt kinderen dood'  en 'U was uw eigen gulzige tong / genoeg.' en 'Waar u kwam stroomde een boze rivier.'

'Dek een tafel - sadistisch-realistisch spel voor 1 familie, een tafel en voldoende stoelen-
Nu moet ik er erg  om lachen, maar toen... Nu denk ik: familie, krijg toch allemaal de klere.
Op p. 42: 'De vrouw naait een lelijke jurk. / Die past. Als de heilige hoezen. Borduursel van brandnetelblad.'
En dan komt ook de kapper al op: 'Dan achter het raam zingt de kapper zijn kamer schoon. / 'De maan was helder. Avé. De weg was breed. Maria.'

Was die kapper je grootvader?

De kapper staat voor mij voor de zuiverheid. Mijn opa was de onschuld zelf. Een geweldige man, overstromend van liefde en hij zat tussen heksen van wijven.
'De kapper zingt, falset. 'Ze was de nagel aan mijn kist.' / En haar hoesjurk scheurt hij tot stof.'

Dat zegt de ik uit het gedicht, in dank, want de vrouw naait de lelijke jurk voor het kind. De kapper had het lef om dat te doen.

Dat was niet een bang kappertje hoor. Hij was bijna iemand uit een sprookje, zo aardig en zo prachtig. We gingen met opa wandelen. Er zijn mooie herinneringen. Dat ik met mijn zusje en opa ging wandelen. We hadden een kop vol ruzie, van die heksige wijven. Als ze elkaar vijf minuten zagen, was het krijsen en gillen. En dan gingen wij wandelen met opa.
==

DE KAPPER EN DE DOOD

De kapper zingt. 'In 't groene dal.' Het zeil ruikt naar ruzie.
En zwijgt. Een kind kroop uit een lijst, het balanceerde

op de plinten, bleef maar steven. Bloot de dorpels, de                                                                      leistenen gang.
Doodkind strooit zaaigoed. 'Bloemetjes bloeien in 't dal.'

En de vrouwen. 'Ook 't kleinste.' Verschansing verdampt.
Ze rollen zich op, plakstrook voor de vliegen. Wie ademt is af.

Ik ben acht, vlecht mijn haar een exit. 'Ook 't kleinste.'
De kamer. De voorkamer gonst. Tijd is een bromvlieg.

Achter de wand (elke spijker sloeg stuk op verraad) een zoemen.
Gevleugelde mannen. De klant in molières of bokkenpoten,

een zachtroze vlinderbril. 'Om ieder bloempje te besproeien.'
Pijlmens en vlijmen het woord, de klant heeft een strot van

ijzerdraad. Een stem als onschuldige slager geschminkt.
Ik ben acht. Vlecht een touw van goud haar en ontsnap.

De vrouwen rouwen in ruzie. 'In 't stille dal' snijden het kind
uit hun vlees. Hij zong. Tot de spiegels besloegen. Dan

veegt hij het haar van de klant bij elkaar. Elke dag maakt
maal zeven  een berg. Liefkozen de berg en het blote gezicht

van de klant. 'In 't stille dal' . Het zeil ruikt naar dood.
Op de dorpel sterft elke ochtend het kind. Mijn haar is van goud

en een touw. Ik ben acht. Mijn kussen 'een koele waterval'.
Op de plint van mijn bed de molières. De kamer, de voorkamer gonst.

===

'Een kind kroop uit een lijst'; die lijst of omgrenzing komt vaak voor.
De kapper zingt.

Hij was maar aan het zingen om die familie te bezweren, dacht ik als kind.

'Achter de wand (.../) Gevleugelde mannen'. Gevleugeld?

Het is een andere wereld voor het kind. Je hebt de kapperssalon, de zaak en daar mag je niet zo maar komen. Je hoort achter de wand het gemompel, gezoem. Het lijken wel bromvliegen. Het was een prachtige, ouderwetse zaak. Hij staat nu in een museum, met marmeren wasbak, koperen kranen, oude houten stoelen en zo'n rolletje met papier, voor in je nek. Alle watertjes op het marmer, kwasten, scheermessen, scharen, alles. Zoals het in 1900 was.

Molières, bokkenpoten? Dat doet denken aan een geile faun.

Die zaten er ook tussen.

'Om ieder bloempje te besproeien.'

Ja, maar die opa heeft dat allemaal niet in de gaten, want die zingt in alle onschuld. Dat huis was altijd open. Daar kon iedereen binnen komen en dat was ook zo. Er zat ook een raar type bij op een gegeven moment. We mochten wel af en toe in de salon komen, als we onze mond hielden en dan zaten we er bij. Dat was of ik een sprookje was.


' Mijn haar is van goud //en een touw. Ik ben acht. Mijn kussen 'een koele waterval'./
Op de plint van mijn bed de molières. De kamer, de voorkamer gonst.'
Dat kind huilt. Wat is de plint van een bed?

Dat bestaat helemaal niet; dat is bij een deur. Maar het bed is een opening naar een andere tijd, als je droomt of slaapt en je bent vrij van wat er daar allemaal is gebeurd, maar daar staan net even die molières van die vent met die bokkenpoten.
In het volgende gedicht is hij dood. Het kind moet in de ogen wrijven, alsof er zand in de lucht hangt 'op ooghoogte'. Hij zong 'Merck toch hoe sterck' en dus van 'De Spaensche scharen'. Ik dacht dat dat bijzondere scharen waren.

Opa wordt een das omgedaan, zo'n ouderwetse das zonder strik, kant en klaar. Voor mensen die niet meer kunnen knopen of gewoon voor het gemak. Die wordt aan een haakje gehangen: 'met een Alzheimerhaakje, een das als de staart van Ezeltje-prik.' Ik dacht als kind: ze duwen een spijker door opa's strot.
Ik vind kappers nog steeds interessant. Het is iets magisch, het knippen van haar. Een ouderwetse kapper kan zijn vingers zo snel bewegen, dat je het niet na kunt doen. Hij was aan het oreren en aan het zingen, een stuk uit een opera en dan ging het weer over politiek en die handen bewogen maar steeds. Hij had heel lange handen, met lange vingers. Ik heb een zoon, de jongste, die speelt goed gitaar en die heeft ook van die lange vingers. Ik dacht als kind: moet ik nou naar die stem luisteren of naar die handen kijken?

Had je een zondebesef als kind? Ik denk aan het gedicht 'Van alle smetten vrij' (p.65)

De tekst was 'van vreemde smetten vrij', maar ik zong 'alle'. Dat wil je toch, als je dood gaat, dat je van alle smetten vrij bent?
Er werd in de familie altijd geroepen 'Mea culpa. Maxima culpa'. Ik vond het katholicisme, zoals het daar was, eng. Alles ging fout, het was nooit goed. Met de biecht had ik niks te maken. Ik kwam uit de atheïstische randstad. Ik kwam op vakantie daar in het katholieke Brabant en het kwam heel mysterieus op mij over allemaal. Die kerk met het grote driehoekige oog! Dat oog gaat nog een keer op je vallen! Ik heb het nog als in in kerken ben. Ik kom heel graag in kerken en dan brand ik ook een kaars voor mijn kinderen. Dat meen ik echt. Ik flikker geen elektrisch kaarsje aan. Maar ik moet naar dat oog kijken.

=========

Med

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen