dinsdag 3 september 2013


Elma van Haren




KLOMPENLICHT

Doen werdic genoeget van buten in allen vollen sade
Hadewijch


Uw hand tussen mijn schouderbladen en vleugels voelen groeien;
de onzegbare lust door te gaan tot een nader U.
Ik zucht van het open ruisen, dit tot in het merg bevederde vliegen.
Tot aan uw troon versteld staan zal ik,
als dag na dag verglijdt achter het verschietende met goud doortrokken
zinderen in de lucht van Uw duizend hagedissenogen,
starend van gene rede-zijde naar aan deze zijde minne,
                                                                             mijn ratelende tong van suiker.
Ik wil wel zwijgen, maar mijn accordeon klinkt jankend uit het vat in duigen.
Om onder Uw mantel te mogen schuilen, moet ik in lompen leren lopen.
Het opgaan ondergaan. Ik zal opnieuw beginnen;
       als U de hand legt tussen mijn schouderbladen
       voel ik er vleugels groeien.

Het zijn Uw vleugels, doch het is mijn hooghartigheid!
Op een warme avond dolf ik naar goud, maar vond
in het rode blad van een geranium het kleinste bloedvat boven,
     de grimas van de geur hartvormig,
     hartstochtelijk in haarverbetenheid.
Zonder U ben ik donkerend hout met een vleug vorst erin.
Doch ik heb zon in mijn zinnen en tong waar U bestaat.
Ik ga graag op in rauwe dingen,
ik zing hoog en vals, tot
U blauw de glazen breekt en mij in gruzelementen vallen laat
en vangen kan
                         in Uw zingend rood geranium orgaan.

Waarom die hovaardigheid?
Ik ben geboren op een grens als natuurlijk nageslacht,
niet gewenst noch onopzettelijk verwekt.
Ik kantel alle kanten binnen.
Ik laat Uw handen in mij vloeien;
ik voel het broeien van mijn gestokte land,
      gekromde stam door als maar snoeien,
      bruikbaar brandhout als ik brand.
Oranje/blauw, U flakkert mij/ik hou
me in de diepte aan Uw hoogtes trillend vast.
U stamelt mij tot een extatisch bedelaarster
en laat mij laaien in uw blauwe gloed.
      Ik ben geknoopt uitduister,
      maar U zal mij helder kopen met heel Uw huid.
      U legt opnieuw mijndagen open,
      in op- en ondergaan zal U mij dopen.
      Om over Uw modder te kunnen schaatsen,
                                                                      zal ik op klompen leren lopen.




Elma van Haren (Roosendaal, 1954) debuteerde in 1988 met de bundel De reis naar het welkom geheten, bekroond met de C. Buddingh’-prijs. In 1997 ontving ze de Jan Campert-prijs voor haar bundel Grondstewardess. Het gedicht ‘Het schitterende’ uit de bundel Eskimoteren werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000.
Elma van Haren woont in Amsterdam en is naast schrijfster ook beeldend kunstenaar. Zij geeft schrijftraining proza/poëzie op haar atelier.
Het bovenstaande gedicht komt uit Flitsleemte, 2009







Zulke gedichten schrijf ik nooit; het is het enige gedicht waarvan ik dacht dat het geweigerd zou worden.Ik heb het gedicht in één keer geschreven op Pinksteren onder het geluid van de kerkklokken. Het was een opdracht van Hans Groenewegen van het tijdschrift REVOLVER. Hij vroeg of ik wilde reageren op Visioen IX van Hadewijch. Ik bladerde door mijn aantekenboeken. Ooit probeerde ik een gedicht over een schilderij van Rembrandt te maken. Daarop staat een engel. Ik had aantekeningen over iemand met vleugels.
Voor ‘U’ heb ik gekozen omdat Hadewijch God aanspreekt met U en dat geeft meteen een plechtige sfeer. Dan kom je zelf ook in een andere dimensie. Ik vind haar beeldspraken in de Visioenen erg mooi.

De titel is een samengesteld zelfstandig naamwoord, een neologisme, met een tegenstelling, een oxymoron zelfs: ‘klomp’ is zwaar, hoort in de modder en ‘licht’ is immaterieel.

Het woord ‘klompenlicht’ had ik al. Het kwam bij me op bij een woordspelletje. Het boerse van de klompen vond ik mooi om tegenover het licht te zetten.

Je begint het gedicht met een zelfstandig naamwoordsgroep zonder persoonsvorm en dan ga je verder met ‘vleugels voelen groeien’. Niet: ‘Ik voel vleugels groeien;’

Ik kies daarvoor vanwege het ritme van de regel. ‘En dan groeien er vleugels’... nee, dat is niet goed. Dan haal je de vaart uit de regel en de extase. Al die bouwwoorden als ‘dan’, dat zijn verbindingswoorden, die moeten weg.

Je kiest ook vaak voor ellips, weglatingen.

Dat doe ik om de vaart er in te houden. Ik hoef niet zo veel na te denken over hoe ik het zeg. Als ik er eenmaal inkom, dan dient zich dat vanzelf aan.

Maar daarna ga je nog eens kijken en dingen schrappen.

Ja, ik heb naderhand dingen toch wel heel erg veranderd.

De alliteratie van de v beviel je achteraf. De assonantie van de oe.

Dat gaat vanzelf, maar ik vond het goed. Er zit een soort muzikaliteit in.

Zelfs een beweging die met vliegen te maken heeft: ‘vleugels voelen groeien’.

Ik voel ook zelf een beetje hoe dat is. Ik herinner me de bidprentjes van vroeger, met engelen. Het meisje dat langs de afgrond loopt en naast haar de engelbewaarder in het licht. Ik voel als het ware die hand van een hogere macht.
‘En dan groeien er vleugels’: dat is het niet, want die vleugels zijn nog niet gegroeid. Ze zitten nog onder die huid. Als je zegt ‘dan groeien er vleugels’, dan zijn ze er al.

Bij de tweede regel maak je een inspringing.

Dat doe ik vaak. Ik heb een lichamelijke behoefte aan ruimte in teksten, aan adempauzes. Ik dicht de regels een zelfstandigheid toe als waren zij objecten van zichzelf. Ze hebben recht op hun plek in dit gedicht.

Je maakt de pauze van de puntkomma aan het eind van de eerste regel nog groter.

Ook om te laten zien dat deze regel bovenop de eerste komt. De tweede is een trapje hoger dan de eerste.

‘een nader U’ is een allusie op Reves ‘Nader tot U’?

Nee, dit is zuiver op Hadewijch zelf geënt. Het is geen werkwoord, of bijwoord, het is een bijvoeglijk naamwoord. Een dichterbij U.

Je schrijft niet: ‘Tot aan uw troon zal ik versteld staan’, maar ‘versteld staan zal ik’.

Ik heb het extatische willen aanhouden.

Door de herhaling van de st-klank wordt het even stilgezet.

Ja.

‘uw troon’ krijgt een kleine letter, maar overigens is U met een kapitaal geschreven.

Dat is waar. Het is een foutje.

Heel verrassend zijn daar die ‘hagedissenogen’.

Dat komt uit het visioen: ‘Ende dat cleet was al vol oghen.’
In Mexico hebben ze heiligenbeelden met al die ogen. Wij denken aan duivels bij hagedissen. Ik heb een associatie met nooit slapen. Er wordt voortdurend gekeken.

‘starend van gene rede-zijde naar aan deze zijde minne’ . Aan de ene kant rede, ratio, aan de andere minne, liefde. Er is assonantie en vertraging.

Vertraging, ja. Plechtig.

Dan volgt een lang stuk wit.

Ik had die regel liever onder de komma van de vorige gezet, maar dat kan niet vanwege de bladspiegel.
‘mijn ratelende tong van suiker’: ik vind Hadewijch ratelend, in haar gevoel, hoe ze over haar ervaringen praat, in wat ze ziet. ‘ratelend’ vond ik mooi omdat de ik dan zelf een beetje hagedisachtig wordt. Met ‘van suiker’ neem ik de hagedissen-scherpte weer weg. Suiker is lekker, maar het lost op. Het geeft je nietigheid aan en heft de scherpte van wat je zegt op. Ik verplaats me als dichter in Hadewijch.
De ‘accordeon’ past bij het ratelende.
In het visioen is de U Maria, een koningin met jonkvrouwen.

Maria wordt in een litanie een vat genoemd: ‘eerwaardig vat, geestelijk vat’. Zij omvat haar zoon Jezus.

Een vriend van mij is beeldend kunstenaar. We praatten over vaten voor een schilderij en hij wilde naar een tuinbouwcentrum om desnoods een plastic vat te kopen. Ik zei hem dat ik ooit ergens koffie dronk bij een herberg en daar lag op de binnenplaats een houten vat in duigen. Ik zei dat we daar misschien naar toe moesten rijden om dat vat op te halen. Zo is het in dit gedicht terecht gekomen. Je koppelt wat je schrijft aan wat je hebt gezien. Hier in het gedicht loopt het verheven gevoel leeg. Het gaat steeds om tegenstellingen: hoog, verheven tegenover aards. Schuilen onder de mantel van Maria en ‘in lompen leren lopen’.
Eerst stond er: ‘Om onder Uw mantel te mogen schuilen, moet ik op klompen leren lopen.’ In ieder geval stond er een variatie van de laatste zin van het gedicht, maar dat vond ik bij nader inzien te vroeg. Daarmee gaf ik mijn eigen einde al weg. Toen zag ik tot mijn verbazing: als ik gewoon die k weghaal, staat er ‘lompen’. Wat een prachtig woord! Toen heb ik van ‘modder’ ‘mantel’ gemaakt. En dan klopt het! Ik was daar heel blij mee.

‘Het opgaan ondergaan’
Tegenstelling. Ik doe daar expres geen komma tussen. Het wordt dan één samensmelting.
Er is steeds een beweging omhoog en omlaag.

‘Ik zal opnieuw beginnen;’ De dichter zegt het tegen zichzelf. Ik was al zo’n end op weg en zei: kalm nou even. Herpak je, begin even opnieuw. Het moet niet gaan over de ik, maar over U.
In de laatste regel van de eerste strofe komen de vleugels er aan.
In de volgende strofe weer een tegenstelling: ‘Uw vleugels’ en ‘mijn hooghartigheid!’  Het ik botst altijd met het hogere. Er zijn altijd eigen verlangens en lusten, maar daar gaat het niet om. Je bent in dienst van. Ik heb boeken over heiligen vroeger verslonden.

Je krijgt nog een herpakking: ‘Op een avond dolf ik naar goud’.

‘dolf’; daar heb ik over namoeten denken. Ik had eerst ‘groef ik naar goud’ en ik dacht, g-g, maar nee. ‘groef’ was te veel aarde, te plastisch. Het is ‘goud delven’. Er wordt goudgedolven, maar de verleden tijd wordt nooit gebruikt.
Eerst de beweging naar beneden, dan omhoog: ‘maar vond / in het rode blad (..) het kleinste bloedvat boven.’ Dat is een eigen beeld. Geraniums op een binnenplaats. ‘s Avonds is het buiten lauw, het licht is laag en goudkleurig. Dan kan het rood zo naar je toe springen. Dat gevoel dat je wel naar goud wil delven, maar dat het al te pakken is, vlak voor je. Je hoeft helemaal niet zo diep te graven. Ik was tevreden met de alliteratie van de b. Het woord ‘boven’ moet erbij, anders is die regel niet klaar.
‘de grimas van de geur’; de geur van een geranium is niet zo lekker, maar de blaadjes zijn wel hartvormig. ‘verbetenheid’; dat is goed. ‘halsstarrigheid’ zou niet kunnen.

‘Zonder U ben ik donkerend hout’

Op wijngaarden zie je die oude wijnstronken. Dat komt terug in ‘mijn gestokte land’, winters. En: ‘gekromde stam door alsmaar snoeien,’ . Christus wordt wel de wijnstok genoemd.

‘Doch’; je schrijft niet ‘maar’ vanwege de plechtigheid?

Ik gebruik ‘doch’ vaak. Om het af te wisselen met ‘maar’. ‘doch’ is net iets anders dan ‘maar’. in ‘doch’ zit even iets van terughoudendheid. Ik heb het koud, maar ik doe een jas aan. Of :ik heb het koud, doch laat ik maar een jas aantrekken. Er zit iets meer een aarzeling in.

Heb je dat ook dat je een aantal assonanties hebt en denkt: er kan er nog wel een bij, maar niet te veel, dan wordt het te nadrukkelijk?

Als je eenmaal op gang bent, komen ze vanzelf, met de muziek. Te veel is niet goed, dat schrap je later. Deu is een frisse klank bij al die ò-klanken: donkerend, vorst, doch, zon, tong. Dat ‘u’ is hier een citroenijsje.

‘hoog en vals’?

‘vals’ in de zin van hooghartigheid, niet bescheiden, beetje ‘overdone’.
Na ‘tot’ een enjambement.

‘blauw’?

Blauw is een Mariakleur. Ik kende iemand die lichtblauw werd als hij boos was. En blauw is een spirituele kleur. De kleur van afkoelen. ‘U blauw..’ Op een blauwe wijze, boos, afrekenend. De U laat de ik voelen wat ze is zonder Hem: ‘in gruzelementen’. Daar tegenover ‘rood geraniumorgaan’. Dat wijst terug naar ‘kleinste bloedvat’. Geborgenheid, omsluiting. Vrouwelijk.

‘Ik ben geboren op een grens als natuurlijk nageslacht’?

De ik is Hadewijch of degene die doet alsof zij Hadewijch is. Je zit op een grens als je je zelf afsluit van het menselijke en alleen maar met het goddelijke bezig bent. Je wilt wel één worden met God, maar dat kun je natuurlijk niet als mensenkind. ‘natuurlijk’; vanzelfsprekend: ‘niet gewenst noch onopzettelijk verwekt.’ Ze is gewoon verwekt, zoals de meesten van ons. ‘Waarom die hovaardigheid?’

‘Oranje/blauw’ en ‘mij/ik’: daar doe je iets met een schuine streep. Had je ook een koppelteken kunnen zetten?

Het is niet zowel oranje als blauw; het zijn tegenover gestelden, tegenover elkaar liggende dingen.Oranje-blauw zou één zijn. Ik wilde even zelf korte metten maken met die exuberante beelden van daarnet. Die schuine streep doet pragmatisch aan, beetje kantoorachtig.
Weer de tegenstelling: diepte -hoogtes.

‘U stamelt mij’, dat is ongrammaticaal. U laat mij stamelen.

Dat kan niet in gewone taal.

‘U zal mij helder kopen met heel Uw huid’. Jezus is voor ons aan het kruis gestorven en heeft als het ware ons zieleheil gekocht door zijn dood en dat dankzij Maria. Zoiets?

Zoiets ja. Ze betaalt met haar bestaan voor mensen.

‘Uw modder’?

Het goddelijke strooit zijn modder uit over de mensen. In het goddelijke is alles: modder en licht. Maria vertegenwoordigt hier het goddelijke. ‘Om over Uw modder te kunnen schaatsen’ zegt de ik, ‘zal ik op klompen leren lopen.’ Zal ik eenvoudig en bescheiden moeten worden. ‘Op klompen leren lopen’ sluit aan bij het sprookje van ‘Koning Lijsterbaard’. Dat gaat over een prinses die bescheidenheid moet leren.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen