woensdag 14 september 2011

Tonnus Oosterhoff




Breek de botten opdat het merg


Tonnus Oosterhoff (Wagenborgen, 1953) is de zoon van een inrichtingspredikant. Hij studeerde Nederlands en Algemene Taalwetenschap, maar voltooide slechts de studie Onderwijspsychologie.
Voor zijn eerste bundel Boerentijger ontving hij in 1990 de Buddingh'prijs. De ingeland van 1993 werd bekroond met de Gorterprijs van de stadAmsterdam. In 1997 verscheen Robuuste tongwerken, een stralend plenum , waarvoor hij de Campertprijs kreeg. Hij schrijft ook proza (Vogelzaken, Het dikke hart en Kan niet vernietigd worden), en theater- en hoorspelteksten.
In Mooi, maar dat is het woord niet, geschreven gesprekken met Rutger Kopland (1998) staat een verhelderend stuk van Tonnus Oosterhoff over zijn poëzie-opvatting onder de titel 'Zo is het!'

In 1996 verscheen als nieuwjaarsgeschenk bij De Bezige Bij TEKENINGEN1970- 1971. In die jaren werd hij bezocht door beeldend kunstenaarschap; hij maakte vele honderden pentekeningen. Na anderhalf jaar 'verloren'de tekeningen 'bijna met de week aan kracht', zegt hij zelf in een toelichtende beschouwing. In diezelfde tekst zegt hij over zichzelf:
''De gedachte met mijzelf samen te moeten vallen benauwt me; juist als ik me slecht voel of me geen raad weet voel ik me het meest iemand in het bijzonder, die verantwoordelijk is voor zijn daden.(---) Zelf voel ik me vaak het best in losse vorm. Passief. Los. Niet verantwoordelijk voor het eigen bestaan en mij zelfs niet bewust van een eigen bestaan. Ik ben gelukkig als ik mezelf als een weiland zie, en wolken trekken over en werpen vreemde schaduwen in het gras. Die wolken zijn dan gebeurtenissen inclusief mijn doen en laten. Of dat ik alleen maar een leren vetertje met een naam ben om een bundel toevallige kenmerken. (Roeden. Pijlen.) Of een mengbuis, of een kookpan. Ik zie identiteit, mijn naam en wat ik weet en deed, het liefst niet als centrum van zingeving, maar als een soort administratieve eenheid. Een postbus. Ik kan me wel eens verheugen op dood zijn. De losheid, de zinloosheid ervan.'

Tonnus Oosterhoff woont in een dijkhuis, enkele kilometers voorbij Winschoten in het noordoosten van Nederland. 'Mijn schrijftafel staat voor een raam van (negentig centimeter breed en) een meterzevenennegentig hoog. Het uitzicht vanaf mijn zitplaats is een stapeltje van eenentwintig centimeter dijk (smeedijzeren hekje+ asfaltwegje + gras), veertien centimeter rivier (hoog water), zeven centimeter tegenoverliggende dijk en natuurgebiedje. Honderdvijfenvijftigcentimeter lucht.' vertelt hij in een essay dat verder beschrijft hoe de poëzie van Herman de Coninck en die van F.van Dixhoorn hem tot verschillende manieren van lezen aanzetten:
'Ik ken twee manieren van ((goede) poëzie) lezen. Bij de eerste manier zie ik door de tekst de werkelijkheid, meen die althans te zien. Bij de andere is de tekst lezen = de werkelijkheid zien. De eerste manier is de normaalste. Bijna al het drukwerk dat ik onder ogen krijg roept de eerste manier van lezen tevoorschijn.Heel weinig de laatste.'

Elly de Waard heeft het in De Revisor over anekdotische en autonomistische of hermetische poëzie. Kun je wat met die tegenstelling? In de woorden van Piet Gerbrandy: 'De 'taalautonome' dichters scheppen een enorme distantie tussen hun dichterlijk taalgebruik en het gewone Nederlands. Dit doen zij omdat het vervreemdend werkt en het automatisme bij het lezen uitschakelt. De lezer moet die poëzie veroveren.'

'Veroveren', dat vind ik zo'n verkeerde instelling. Ik beschouw mezelf niet als zo'n moeilijke dichter, meer een middenmaatje, maar ook Starink, Kregting, Wijnberg of Ouwens 'verover' je niet. Ze brengen iets in trilling ... of niet. ... Te veroveren valt er niks. Als je Kees Ouwens niet interessant vindt, lees je het geen tweede keer en als je het wel interessant vindt, gaat het vanzelf. Dat heeft niks met 'veroveren' te maken. Dat vind ikeen heel foute, van de middelbare school achtergebleven instelling van wat bedoelt de dichter? Dan wordt het een corvee.

Je moet je wel openstellen.

Dat is iets anders dan veroveren. Dat is precies het omgekeerde! Lezers kunnen verschillen in tempo en ritme. Dat lijkt me heel belangrijk bij receptie. Bij een bepaalde snelheid van lezen passen alleen maar bepaalde boeken. Ik ben zelf van nature een langzame lezer, dus ik heb moeite met Van der Heijden. Dat zijn goede boeken denk ik, weet ik, ik bewonder zijn project zeer, maar als lezer sla ik over de kop. Hij 'beschleunigt' het lezen en dan denk ik na zestig bladzijden, is het over driehonderd bladzijden nog zo interessant?
Nee, ik denk niet in de termen 'hermetisch' en dergelijke. Ik ben ook als lezer gevoelig voor zinnen, voor ritmes. Niet alleen ritme van klank, maar ook muziek van betekenis, wat dat dan ook mag betekenen. Ik weet wel dat om die muziek tot klinken te brengen elke komma en punt telt, elke formulering, haakjes, cursief, noem maar op, het moet allemaal heel precies.
Bij overtuigende poëzie staat alles op zijn plaats. Het kan uit elke eeuw en vanuit elke overtuiging gemaakt zijn. Ik kan geen norm of definitie geven. Hermetisch, anekdotisch... Wat is dat? Er is poëzie waarbij ik denk: ja, zo is het! Alles staat op zijn plaats, geen woord te veel of te weinig. Ik probeer stelsels van uitspraken te maken, te vinden eigenlijk. Ik laat me lokken. Als schrijver en als lezer. Goede gedichten zijn tot de nok gevuld met zin en betekenis.
Er zijn niet zo veel poëzielezers. Ik zou verwachten dat de wereld van vandaag meer van poëzie zou houden. Het fragmentarische. Mensen hoeven niet meer zo'n afgerond beeld te hebben tegenwoordig. Ze zijn losgeklopt door een bombardement van informatie. Ze kijken zonder enige moeite naar clips, lezen vreemde symbolen en dan staat er een tekst wat vreemd op papier en dan is dat moeilijk! Het verbaast me dat mensen nu nog zeshonderd bladzijden dikke boeken kopen. Dat vind ik veel 'unzeitgemäßer'.

Je zegt: ik laat me lokken, je hebt het over rattenvangerseffecten. Later ben je een beetje rattenvangerduwer geworden.
Is de rattenvanger de taal?

Wat is 'de taal'? Als je zegt: de rattenvanger is de taal...Wanneer is dat een zinvolle uitspraak? Dan moet je weten wat taal is. Ik vind dat altijd moeilijke uitspraken. De muziek van de betekenissen, de klanken... Bij het woord 'taal', net als bij' boek' of 'literatuur' gaan sommige mensen heel vroom en verheerlijkt kijken. 'Ik houd van taal', 'Ik houd zo van literatuur', maar wat is het? Dat weten ze niet. Als je zegt: je houdt zo van taal; wat is dat dan? Dat weet ik niet. Het lijkt dan net of de betekenissen er niet meer toe doen. In dat stuk 'Zo is het!', (in Mooi, maardat is het woord niet, R.E.) staat: 'Honden met roodbruin haar hebben altijd een tenorstem.' Als het anders geformuleerd zou staan, zou het me misschien niet opvallen, maar het zou me helemáál niet opgevallen zijn als het niet zo'n rare betekenis had.
Het is geen rationele uitspraak, geen ware uitspraak, en toch heb je het idee dat er een venstertje geopend wordt. Maar wat en in hoeverre heeft dat met taal te maken?
Hoe kan het dat verschillende lezers zeggen: ja, dat klopt?

Je zegt: het kan me niet schelen waarover het gedicht gaat, niet hoe lang het wordt, hoe breed. Je laat je daarbij bepalen door de intuïtie?

Dat is in de laatste bundel een beetje een thema geweest. Ik wilde een maximaal contrast tussen de gedichten.
Ik zak altijd een beetje in als ik merk dat ik mezelf herhaal, dat ik iets doe wat ik al eerder onderzocht heb. Dus dan stop ik ermee. Dat is ook niet iets wat ik in het algemeen de poëzie wil opleggen, maar zo werkt het voor mij.

Maar er zit in al dat gezoek ook een element van agressie, iets kapot maken.
Wat wil je kapot maken?

Misschien een leesgewoonte of wat dan ook. Als het maar kapot is. Een beetje agressief is het allemaal wel, denk ik. Ik kan me heel goed voorstellen als lezers van mijn proza, de korte verhalen, er helemaal beroerd van worden. Dat ze het intens rot verhalen vinden.

Je maakt de dingen niet kapot uit blinde agressie. Je wilt ze heel maken in een andere betekenis.

Opdat er dan iets lekkers uit komt lopen. Als je een bot breekt, is er merg.

Een soort hogere honing?

Het bot is ook het cliché.
Het cliché is vaak een pantser om het levende. Je gaat niet bewust cliché's vermijden, maar als je een cliché opschrijft, ziet het er slap uit.

Of versteend? Dat past beter bij de metafoor.

Ja, maar het voelt slap. Het doet niks in het gedicht. Je ziet het vaak heel laat hoor. Je bent nog te opgewonden, sentimenteel. Die slappe plekken gaan er soms heel laat uit.

Volgens Rob Schouten vormt 'de motor' van jouw poëzie' opgevangen gespreksflarden, tekstbrokken, half meegemaakte momenten'.

Motor? Nee. De motor is het zoeken naar contact, 'soul'. Ik zou graag hebben wat Otis Redding met zijn publiek had. Contact met de mensen. Met de wereld. Ik merk het bij voorlezen, dat het ontstaat.

Je bent meer onderzoeker dan taster. Bijna een wetenschappelijke benadering. Experimenten. Eens kijken wat er uit komt.

Eens kijken wat er uit komt...? Dat klinkt me te onbetrokken. Ik volg een zo-is-het-gevoel, dat heeft meer te maken met betrokkenheid.

De belangstelling voor het morbide is niet geïnitieerd door het wonen bij een psychiatrische inrichting?

Nee, ik vond dat allemaal heel gewoon. Mijn belangstellingvoor het abnormale zit hem in het feit dat ik de binnenkant wil zien. Het gewone is vaak dicht en oninteressant. De dingen worden interessant als ze een beetje scheef zijn. (Loopt ter demonstratie spastisch door de kamer.) Maar ik vind het bij mezelf een gebrek, die overdreven aandacht voor het gebrokene. Een gebrek aan talent. In het gewone zit net zoveel leven als in het niet-afwijkende.

'Structuur en betekenis geven in een duister, onzinnig heelal. Maar zonder wezenlijk verband met de waarheid. Dat vind ik een treurige, absurde gedachte. Zin zonder waarheid. Hoe kan dat bestaan?(---) Ik geloof, nee hoop, ik heb het voor mijzelf nodig om te geloven, en ik voel het ook inderdaad zo, dat poëzie in een en dezelfde wereld spreekt als in die die de wetenschap beschrijft,(...) Het moet ongeveer zo zijn: om de wereld een beetje te begrijpen en te beheersen zijn we genoodzaakt gigantische reducties te plegen.' (Uit: Mooi, maar dat is het woord niet)

Ontreduceren. We kijken naar de wereld, leven er in met eenaangepast patroon. Wat we zien is niet de werkelijkheid. Een vlieg ziet iets heel anders, maar hij kan op die manier van kijken heel goed leven, net als wij.

We leven in schema's, concepten.
Een stoel is een verzameling dansende moleculen, meer leeg dan vol.

Maar je kunt er op zitten. Reducties hebben we nodig. Als er een paar worden opgeheven, zie je een ongrijpbare werkelijkheid. Dan word je stapeldol. We kunnen niet buiten die reducties, maar het is wel goed om die kant op te wijzen. Ik heb net het boekvan Michaux gelezen, over die mescaline-experimenten, oneindigheids-en vreselijke tijdservaringen. Hij maakte tekeningen onder invloed, of daarna. Kijk, allerlei vormen met een heel fijn pennetje. Dat ken ik ook wel. Dan begint er iets te trillen in je waarneming. Mescaline haalt een rem weg. Je kunt denken aan een achtbaan, dat gevoel, maar dan heb je er nog honderden handremmen opzitten. Als je die weghaalt...
Het is ondragelijk. Hij beschrijft dingen ... het is haast niet vol te houden. Dan weet je weer dat we reducties nodig hebben. Je kunt ook niet in de winter buiten gaan slapen. Je hebt een huis en verwarming en een rekening bij de EDON; dat heb je allemaal nodig. Je kunt wel naar buiten gaan zitten staren en bedenken hoe het is om in de sneeuw te slapen.

Wat vind je van Kregting?

Waarom vraag je nou opeens naar Kregting? Lijk ik volgens jou op hem? Meer dan op Neel Min? Of Nachoem Wijnberg? Of Gerrit Kouwenaar? Ik weet het niet. Ik begrijp hem niet bijzonder goed, ik zou het moeilijk vinden een inzichtgevend stuk over hem te schrijven. Maar ik krijg wel regelmatig een zo-is-het-gevoel bij zijn werk. Hij werkte vroeger aan van die blokjes tekst, die me aan een beeldhouwer deden denken, een Brabander geloof ik, Guido Geelen. Die maakt huisraad in aardewerk, bijvoorbeeld teiltjes en stofzuigers, en die worden in elkaar geduwd en half geplet, dan wordt het een vierkant. Bij Kregting is elke wending verrassend en het wijst een nieuwe richting op. Arno Breekveld, ook zo'n "moeilijke dichter", wijst alle kanten op, maar bij hem heb ik geen flauw benul waar hij heen wil. Zijn gedichten lijken gemaakt door een toevalsmachine. Bij Kregting maakt de volgende zin vaak een bepaalde hoek met de vorige. Het gaat bij hem geloof ik om dat hoeken maken. Er lijken wetten achter te zitten, maar welke weet ik niet.

Het eerste gedicht in 'Kopstem'. ("Biechten aan de muis vanzijn hand. / Hij sputtert broodpap. Wat hem voedt / wordt geklauter langs de boordknoop. / Verdonkermaant de guppen van deze / week. De vilder is ouder en meer moe / dan menig hoornvlies op zijn plank. / Dat wil hij ook. Niet als zijn kluizenaar, / dat zou onvoldoende zijn. Hij zoekt / een diepere slaap. Thesaurus in het / onderdek. Opzien tegen magere jaren.")

Wat zie je voor je, iets rooms? In je hand fluisteren? Masturbatie?"Hij sputtert broodpap." Broodpap, sputteren: bejaarde.Wat is de samenhang met dat biechtzinnetje? Spugen? De muis wordt eetbaarder, chocolade. Volgende zin: "Wat hem voedt wordt geklauter langs de boordknoop." Uitwerking van de vorige. Ook: de muis in een looprekje. "Verdonkeremaant de guppenvan deze week. " Oude man is vies of gek. Als je hem even alleen laat doet hij een greep in het aquarium. "De vilder is ouder en meer moe dan menig hoornvlies op zijn plank."De vilder verbind ik nog met de broodpapspuger, maar vanaf "hoornvlies"is de sprong vanaf de vorige zin mij te groot, en ook in de regel zelf is het te druk aan gedachten, die kan ik niet volgen. Daar ben ik het gedicht kwijt.

Begrijp je dat jouw lezers dat ook kunnen hebben?

Ja, waarom niet? Het verbaast me eerder als mensen het wel snappen. Ik verkeer niet dagelijks onder literaten, de meeste mensen in mijn omgeving lezen zelden, of alleen Trouw Publieksprijsboeken. Dan kan ik me bijna niet voorstellen dat mijn teksten ooit ergens aankomen. Nee, ik vind het eerder verbazend dat anderen het de moeite waard vinden, zoals blijkt uit recensies en prijzen. Aan de andere kant vind ik het ook weer niet zo verbazend. Ze zullen de eenheid wel zien, het overtuigende.

En als je het voorleest?

Ik vind lezen voor publiek verrukkelijk. Dan heb ik ook het idee dat er bij het publiek iets gebeurt, dat de tekst aankomt. Het lezen door de dichter kan de tekst verhelderen. Daarom vind ik dat er meer voorgelezen moet worden. Bij het onlangs gehouden poëziefestival 'de Wintertuin' lazen we ook andere dichters voor. Zulke dingen moeten meer gebeuren. Ken je mijn ene geniale idee? Ik heb het twee keer kunnen realiseren. Vier dichters krijgen van te voren teksten van de anderen. De organisator maakt blokjesvan vier, van elke dichter één. Dan leest elke dichter dat blokje voor. Het publiek krijgt dus de gedichten vier keer te horen, steeds in een andere interpretatie.
Dus Robert Anker leest bijvoorbeeld Schouten, Kouwenaar, Jansma en Anker. Dan doet Schouten dezelfde teksten op zijn manier. Dan Kouwenaar. Zo opent elk gedicht zich steeds op een andere manier.
Dat zouden ze op de tv moeten doen.
Ik heb het wel tegen radiomensen gezegd. Bij de Avonden vande VPRO bijvoorbeeld. Doe dat nou eens. Ideaal! Niks meer gehoord. Jammer. Gebrek aan visie. Maar graag of heel niet, ik houd niet van leuren. Het is twee keer bij Perdu gedaan, beide keren een groot succes.

--------------

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen