woensdag 14 september 2011

Jurre van den Berg



Achteraf zie je dat het klopt

Jurre van den Berg (Thesinge,1986) debuteerde  in 2009 met de bundel ‘Binnenvaart  ‘ 
In 2007 ontving hij het Hendrik de Vriesstipendium van de gemeente Groningen voor zijn poëzieproject ‘Ter verlichting van een naam’, een areligieuze, hedendaagse beschouwing op de taal en thematiek van het bijbelboek Job. Schrijft poëzierecensies voor Tzum.  


Opnieuw beginnen
                                   (Job 42:10)

Er is veel wat blijft
maar niet omdat het wacht.

Je kunt opnieuw leren lachen
door te lachen om het lachen
van anderen

in een zachte winter je huid
langzaam laten ontdooien.

Wij reconstrueren alleen
wat we al wisten, wat erna komt

is opnieuw de eerste blik
uit het raam in de morgen

oude muziek, nieuwe muziek
en het teruggevonden boek.



Je bent socioloog; heb je je ooit technisch bekwaamd in de poëzie?

Ik ben wat poëzie betreft autodidact; ik heb veel gelezen, ook over poëzie en er veel over gepraat. Door popmuziek heb ik ontdekt dat ik affiniteit met taal heb. Inmiddels schrijf ik ook recensies over poëzie. Daarmee scherp ik mijn eigen vaardigheid.
Ik begon rond mijn vijftiende. Op school zeiden leraren: het is goed, je moet opsturen naar wedstrijden. Doe Maar Dicht Maar is belangrijk geweest. Mijn bundel Binnenvaart is tot stand gekomen dankzij het Hendrik de Vries Stipendium.
De basis is natuurlijk het plezier in het schrijven.

Je gebruikt weinig komma’s. Is dat een bewuste keus?

Ik laat komma’s bewust weg aan het eind van een regel. In een regel schrijf ik ze wel, bijvoorbeeld in de voorlaatste regel van dit gedicht. Aan het eind van een regel vind ik ze overbodig omdat er al een natuurlijk rustpunt is. Je kunt daardoor ook spelen met het enjambement.
Ik schrijf korte regels, dan is het haast onvermijdelijk. Ik ben er wel voorzichtiger in geworden. Hier is er één die misschien op het randje is, bijvoorbeeld: ‘reconstrueren alleen / wat we al wisten’. Een te grote omwenteling na een enjambement kan geforceerd overkomen als de eerste regel een totaal andere betekenis krijgt door de tweede.

Dat kan mooi zijn.

Kan mooi zijn, maar soms ook een beetje gezocht.

‘alleen’ krijgt hier een dubbele betekenis: je bent alleen en we doen het alleen maar.

 Dat was ook de bedoeling.

Er staat boven ‘Job 42-10’.

Dat geldt voor de hele reeks in deze bundel: ‘Wij zijn er pas sinds gisteren’. Wat ik heb geprobeerd – en daar heb ik ook het stipendium voor ontvangen – is een poëtische reflectie te schrijven op de thematiek en de taal van het boek Job. Het is geen religieuze benadering, maar een van taal en thematiek. Ik heb het gebruikt als een inspiratiebron. Het is een mooi boek, mooi geschreven en er zitten veel kwesties in die mij aanspreken. Ik heb de reeks opgebouwd langs passages van het bijbelboek.

Job moet opnieuw beginnen: alles is hem afgenomen. Hij moet naakt zijn en opnieuw beginnen.(Van Ostaijen)

Ik heb het gegeven dat Job alles kwijt raakt, gebruikt.
Het is een filosofisch interessant vraagstuk. Is het goed dat hij alles terugkrijgt, in veelvoud, of blijft er een gemis? Hij krijgt kinderen terug, maar niet de eerste kinderen. Ervaart hij dat nog als gemis? Met die lacune wilde ik iets doen.

Je begint met een stelling: ‘Er is veel wat blijft / maar niet omdat het wacht’. Daar moet de lezer even nadenken. Het wacht niet op jou…

Hoofdzakelijk dàt. Het is niet voor ons bedoeld, het is niet intentioneel. Wat ik probeer te doen is het tamelijk abstracte begrip, dat vele, af te zetten tegen
een levend wezen, de mens. Het ìs er. Het is een gegeven en het heeft geen bedoeling.

Hier laat je semantisch iets weg. De lezer moet bedenken wat er eigenlijk blijft. Het lijkt een uitspraak van hoop, het wacht niet, je moet er voor werken. Je kunt opnieuw leren lachen, na de ellende.
Door te lachen om het lachen van anderen.

Ja, hoop. Veel beleving is niet geïsoleerd. Je bent afhankelijk van andere mensen. Het beeld komt voort uit lachtherapieën. Je kunt ergens diep bedroefd over zijn, maar door zo’n trucje jezelf, in elk geval voor dat moment, er aan onttrekken. Dat is fascinerend.  Ik heb geprobeerd door de herhalingen het dubbele aan te geven. Lachen is positief, maar krijgt hier wat grimmigs. Het is niet echt: het lachen om het lachen van anderen. Het wordt een soort slapstick, drie maal lachen.

De assonantie van de a speelt een rol. Is dat toeval?

Dat heb ik bewust zo geschreven. De ach-klank is een beetje gesloten door de ch, die op zichzelf niet mooi is, maar als effect wel. Dat breekt langzaam een beetje open, met ‘andere’ Het woordje ‘zacht’ is interessant. De betekenis valt niet erg samen met de klank van het woord. Die z wel, maar die ch is te scherp voor wat het wil zeggen. ‘in een zachte winter je huid langzaam laten ontdooien’: is dat iets moois? Het gaat toch om bevroren huid. De ‘ui’ is een van de hogere klanken in het gedicht; daar breekt het al open.

Je werkt dus heel bewust met klank?

Achteraf begrijp je waarom je deze regel hebt laten staan. Je ziet dat het klopt. Daar komt een nieuwe wending. En vervolgens, na de derde strofe, komen veel meer open klanken, waardoor het gedicht open breekt.

Waardoor het ontdooit.

‘alleen’ en ‘na’ en helemaal in ‘raam’ en ‘morgen’.
Je ziet achteraf dat de betekenis en de klank samen oplopen. Dat is belangrijk. Past de klank bij wat er staat?

Het eindigt met ‘muziek’…

Dat moet je gedoseerd inzetten, maar zeker hier, als je die wending hebt gehad, bij het begin van strofe vier, komt er meer ritme in. Daarvòòr is het redelijk droog. De eerste strofe is haast anti-ritmisch. Het loopt niet echt fijn, daarom sta je er ook bij stil, maar daarna komt er een beetje schwung in. ‘de eerste blik uit het raam in de morgen’. Daar zit meer plezier in, haast.
Dat teruggevonden boek kan elk boek zijn, maar hier het boek Job.

Er is een knipoog naar een vrij bekend gedicht van Brecht:’ Vergnügungen’. De laatste regels komen haast letterlijk van Brecht.

"Vergnügungen // Der erste Blick  /aus dem Fenster am Morgen
/Das  wiedergefundene alte Buch /Begeisterte Gesichter /Schnee, der Wechsel der Jahreszeiten /Die Zeitung /Der Hund /Die Dialektik /Duschen, Schwimmen /Alte Musik /Bequeme Schuhe /Begreifen /Neue Musik /Schreiben, Pflanzen /Reisen /Singen /Freundlich sein")

  Moet je dat annoteren?Plagiaat?

Nee, daar is het te evident voor. Hij houdt het bij de beschrijving. Het wordt intertextueel. Je moet niet elke verwijzing aangeven. Je betuigt je respect door het over te nemen. Dit gedicht steunt niet alleen op de laatste drie regels. Het krijgt iets pompeus als je dat allemaal weergeeft. ‘Ik heb Brecht gelezen.’ Achterin de bundel heb ik het wel aangetekend.
Er zijn ook onaanwijsbare resten in mijn poëzie van anderen. In deze bundel staat ergens: ‘een dichter vertelde me hoe de zee is / zo is de zee, zei hij’, wat verwijst naar een gedicht van Jan Baeke uit diens bundel Zo is de zee.
Ik heb het gedicht van Brecht gezien op een poster voor een raam in Amsterdam. Misschien is het gedicht daar uit voortgekomen. Het is een bekend beeld: je staat voor het raam in de morgen; je ziet iets nieuws, maar je hebt daar vaker gestaan. Daar heb ik een nieuw gedicht uit ‘geblazen’. Ik was bezig met Job en ik dacht: hé daar heb je het ook, maar gespiegeld. Wel die nieuwe ervaring, maar die ervaring heb je herhaaldelijk. Zo haakt het in elkaar. Het werkt heel associatief.

Je bent niet zo dol op metaforen?

Nee. Ik hou niet van het ronkende. Ik hou wel van het beeld als metafoor, maar niet van te veel vergelijkingen. Misschien heb ik niet het talent ervoor. In andere bundels vind ik soms echt knap.

Van Pfeijffer hou je niet?

Nee, maar ik bewonder hem wel vanwege zijn technische kwaliteiten. Het is niet het soort poëzie dat mij aanspreekt. Met het laatste werk van Kouwenaar voel ik me erg verwant.
Ik zou het interessant vinden te gaan werken vanuit een centrale metafoor.

Wat misschien interessant is bij dit gedicht is de vorm: korte regels, twee aan twee. Een strofe met drie regels. je kunt zien dat ik de vorm ondergeschikt vind aan de inhoud. Toen ik dit gedicht afhad, vond ik het prettig dat het er zo uitziet. Een mooie strakke vorm. Mijn latere gedichten hebben deze vorm.

Schrijf je op de computer?

Ja. Wel aantekeningen op papier. Goede aantekeningen onthoud ik wel.

Er zit een wending in het gedicht, bij ‘Wij reconstrueren’.

De elementen uit klassieke vormen werken natuurlijk gewoon door. De volta van het sonnet zit hier wel in.






Landmeters


De nacht vertrok en landmeters kwamen
om na te gaan of alles inderdaad zo was
als het leek: de loop van het kanaal

de helling van het pad en de passen
van het wiel langs de heg tot de weg
in door komma’s verdeelde getallen

hoe de kavels het water van dieren
de dieren van mensen en de mensen
van mensen scheidden

hoe de punten zich tot elkaar
en de gebogen aarde verhielden.

In dit gedicht wisselen de a en de aa elkaar af.
De titel is een metafoor. Het heeft een poëticale plaats aan het begin van de bundel.

Het is haast een allegorie. Dat is moeilijk. Ik geloof dat het in dit geval gelukt is. Het krijgt gauw iets gedragens. Hier heb ik geprobeerd, door de aandacht wat af te leiden en heel erg op de klank en het ritme te mikken, een vanzelfsprekend verhaal te maken, dat zich uitrolt. Er zit geen clou in. In een beeldspraak wordt vaak iets uitgelegd. Dat heb ik hier niet gedaan. Het is puur een beschrijving van wat landmeters doen. Het gegeven is wonderlijk, dat er mensen zijn die de aarde opmeten en in kaart brengen. Er is een parallel met dichters.
Er zijn twee dichters die ik erg waardeer die een gedicht met deze titel hebben geschreven: Kopland en Jan Bake. Dat ontdekte ik later.

De eerste regel is heel suggestief.

Zij willen de werkelijkheid vatten in getallen, heel precies ‘in door komma’s verdeelde getallen’ en daarna wordt het bijna bijbels, fundamenteel. Het scheiden van dag en nacht, land en water. De categorieën worden groter: eerst het pad en de passen, de heg en de weg, heel conkreet, maten van scheiding en daarna, ook een soort wending, abstracter, een grotere scheiding. De landmeters houden zich niet bezig met de scheiding van mensen en dieren, maar wel met woonplekken.
In de laatste strofe wordt het nog een stap uitvergroot: ‘hoe de punten…’
Er is een personificatie in het begin met die nacht die vertrekt en aan het eind komt die terug in hoe de punten zich tot elkaar ‘verhielden’. Er komt dan een soort beleving bij kijken. En het beeld van de ‘gebogen aarde’: letterlijk, de aarde is rond, maar ‘gebogen’ suggereert ook nederigheid. Het gedicht zoomt uit.
Techniek is iets wat onbewust moet gaan meespelen, het moet bijna vanzelf gaan, maar het moet wel kloppen. Dat bepaal je achteraf. Het kan te nadrukkelijk zijn of het loopt nog niet goed. Daarmee moet je aan het werk.

De titel ‘Binnenvaart’ geeft aan hoe je je binnenwereld wil exploreren, qua denken en gevoel.

Misschien vooral de denkwereld. Vandaar die haast industriële metafoor. Ik heb dat pas later goed begrepen. Binnenvaart, in een kanaal, een gecontroleerde beweging, in vaste kaders en heen en weer, herhaaldelijk.

=========

Eerder verschenen in het blad Schrijven

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen