woensdag 14 september 2011

Henk van der Waal

Gedichten moeten ook iets doen
Een gesprek met Henk van der Waal
De Jury VSB Poëzieprijs 2004 (Ad Zuiderent, voorzitter,Dirk van Bastelaere, Marjolijn Februari, Martin Reints, ThomasVaessens) zegt over zijn jongste bundel het volgende: "Inde intrigerende bundel De aantochtster doet Henk van derWaal iets wat ontelbare dichters hem hebben voorgedaan: als eenbezetene jaagt hij het ultieme, ongrijpbare Ding na dat alle verlangenoverbodig maakt, de sluitsteen van het bestaan. Van der Waal ontwikkeltzelfs een hele nomenclatuur om de excessieve, maar problematischenatuur van deze figuur te belichten. Ze krijgt vreemde, soms lelijkenamen als 'onthutsster', 'verklonteraarster' en 'toekomstgeefster',maar ook: 'de vierde persoon enkelvoud', de 'bewoonster van jouwrest'. Diegene dus die buiten onze structuren valt, maar die weenkel vanuit die structuren kunnen benaderen; een wezen dat zichin het buiten bevindt, maar op aanwezigheid aandringt. Dat iseen waanzinnige onderneming, en dat is Van der Waals poëzieook aan te zien. In lange, incantatorische volzinnen, die eenuitermate dwingend karakter hebben en doorspekt zijn met neologismen,drijft Van der Waal de taal een gebied in waar ze een onmogelijkeopdracht moet vervullen. Zijn strakke, absurde vormpatronen onderstrependat alleen maar. Ze vormen een bros laagje vernis op de chaosdie in ons woont. Er valt dan ook geregeld een gat in die vorm.Maar het gedicht gaat gewoon door, want dat is het enige waartoede taal in staat is. In 'De aantochtster' wordt de ratioomgewoeld en jaagt Henk van der Waal de poëzie op een fascinerendemanier naar de drempel van onze (en haar) wereld, 'waar een muggeen mug is, en een olifant een roos'".
------
De nieuwe bundel De aantochtster begint met een motto vanRilke, uit zijn tweede elegie, in de vertaling van C.O. Jellema:'Schrikwekkend is iedere engel. Toch, wee mij, zing ik tot u,bijna dodelijk dreigende vogels der ziel, al ken ik uw wezen.'
Henk van der Waal: Zo'n motto aan het begin van een bundelplaats ik met enige huiver. Aan de ene kant is het een soort eerlijkheiddie me daartoe doet besluiten. Ik wil de lezer het kader waarinik mijn gedichten plaats, niet onthouden. Daarom is dit citaatook zeker betekenisvol. Aan de andere kant is het ook een gevaarlijkspel dat ik speel, want in zekere zin stuur ik de lezer met zo'nregel een doodlopende weg in, zet ik hem op het verkeerde been.Je kunt er met andere woorden wel iets mee, maar je kunt nietelk gedicht, of elke keer dat er een woord als aantochtster ofgeluksverstuifster valt, dat terugbrengen tot de engel van Rilke.
Wat mij erg aanspreekt in die engel, is dat zij een tussenwezenis. Ze is het menselijke net ontstegen, maar zit niet opgeslotenin de heiligheid van een god. Je zou kunnen zeggen dat de engel,op deze manier gedacht, een soort relatieve religiositeit inaugureert.In mijn vorige bundel, Schuldsanering, heb ik mij nogalgekeerd tegen de absoluutheid en het dogmatische van de god vanhet christendom waarmee ik ben grootgebracht. De idee van eenengel maakt het allemaal lichtvoetiger, het brengt de mogelijkheidvan een religie zonder god dichterbij.
Rilke zegt: 'dodelijk dreigende'.
Ik moet daarbij aan Maria Boodschap denken.

Daar zit wat in. Een engel houdt het midden. Dat betekent datje er twee kanten mee op kunt. In de elegieën van Rilke voertde engel weg naar de verten van een andere wereld. Vandaar datdodelijk dreigende. In het christendom is de beweging andersom.Daar is de engel altijd een boodschapper en aankondiger. Nogmaals,begrijp de vrouwelijke personages die ik opvoer niet op voorhandals engelen, dat zou ze te veel vastpinnen, maar de titel vande bundel geeft wel aan dat ze naar ons toekomen, dat ze in diezin smekelingen zijn: vragen om de mogelijkheid van aanwezigheid.Dat doen ze alleen wel net zo godloos als bij Rilke. Daar zitmisschien ook wel het dreigende in.
Tremendum et fascinans?
Dat laatste zeker. Dat tremendum is voor mij alleen meer verbondenmet het moment waarop je zoiets als een aantochtster op het spoorkomt. Dat moment, die toestand, die openstelling is veel belangrijkerdan een eventuele materialiteit van een engel of een aantochtster.Het gaat erom wat zo'n idee, of beter nog de evocatie daarvan,dus eigenlijk het gedicht zelf, met iemand doet. Als je het precieswilt zeggen is het gedicht de existentialisatie van de figurendie het evoceert. Mocht het kwartje vallen en mocht gebeuren watik ergens noem: 'zij versplintert de ons ten / diepste doordringendebepalingen', dan bestaat zij in die werkzaamheid. Dit is eigenlijkhet grote probleem van het geloven en de religie, dat wij altijdnaar een oorzaak zoeken van datgene wat ons in een bijzonderegeestesgesteldheid brengt. Op het moment dat we die veroorzakerhebben benoemd, gaat die de hoofdrol spelen en krijg je godsdienstmet alle nadelen en problemen van dien. Niet voor niets voer ikdaarom vele namen op: wat meervoudig is, is niet te omsluitenen draagt vanwege haar verdeeldheid per definitie afwezigheidin zich. In die zin wekt ze die afwezigheid ook in ons en is ze'de afwezigheidswekster'.
Je zou haar kunnen vergelijken met de muze.
Nou, ik ben daar erg voorzichtig mee. De muze is een nogalklassiek beeld en ook de man-vrouwverdeling die dat oproept, isnogal traditioneel. De vrouw die uit het niets een eenzame getourmenteerdeman grootse werken inblaast. Eigenlijk stuit dat me tegen de borst.Als je even doordenkt is dat een pornografische scène endoet die vrouw niets anders dan een kunstenaar opgeilen. En diekunstenaar strijkt vervolgens met de eer. In die zin reflecteertde verhouding kunstenaar-muze gewoon de verhouding tussen manen vrouw in onze maatschappij. Ik maak geen gedichten om die verhoudingte reproduceren. Eerder om haar aan de kaak te stellen.
Net als de muze zijn de vrouwelijke namen die ik ten tonele voerwel ongrijpbaar, en ook is er een houding van openstelling enafwachten nodig om ze binnen ons bereik te krijgen. Maar het kunstwerkof het gedicht is niet het resultaat van een influistering, eerdereen antwoord op het uitblijven daarvan.
Bij Hadewijch vind je het idee van de verschrikkelijke liefdesbrand.Zij verlangt naar de eenwording met Christus.
Het verbaast je waarschijnlijk niet, maar ik heb wel wat metmystici. Tegelijkertijd kan ik hun teksten vaak maar moeilijklezen. Je moet je vaak door een hele hoop theologisch geneuzelworstelen om af en toe een pareltje tegen te komen. Het leukevan mystici is dat ze de kerkelijke dogmatiek aan hun laars lappen.Niet voor niets kwamen ze vaak in conflict met de clerus. Datheeft te maken met wat ik net het grote probleem van het gelovennoemde: degene waarin geloofd wordt, gaat de overhand nemen enhet geloof zelf in de weg staan. Het lijkt erop dat de mysticidat probleem willen overwinnen. Want wat kan die verschrikkelijkeliefdesbrand van Hadewijch zijn? Dat is de eenwording met degenein wie ze gelooft, maar tegelijkertijd haar uitwissing énde zijne. De brand vlakt zowel het verschil tussen subject enobject als het verschil tussen subject en gezegde uit. Dat isgigantisch. Probeer dat maar eens in de grammaticale structurenzoals wij die kennen uit te drukken.
Je bundel bestaat uit vier afdelingen. De eerste heet Toebereidselen.In de tweede affdeling wordt er een soort landingsbaan uitgeroldom de zij de kans te geven te landen. In de derde afdeling, 'Zois zij', wordt een poging ondernomen om door het geven van karakteristiekenvat op haar te krijgen. Je besluit dan met de cyclus 'Nomenclatura',waarin je de zij met allerlei namen probeert te vangen. Een nogallogische opbouw, lijkt me.
Als je zaken op het spoor wilt komen die zich maar moeilijkop de staart laten trappen omdat ze zo diep verscholen liggenonder je eigen verlangenshuishouding en als je daar dan ook nogveranderingen en bijstellingen in aan wilt brengen dan is hetverstandig om het unheimische en chaotische daarvan in een zekerelogica te dwingen. Dat maakt het mogelijk een paar stappen tezetten, in plaats van uit te barsten in wild geschreeuw of verbouwereerdstilzwijgen. Vergelijk het met de manier waarop Nietzsche zegtdat de Grieken met het mateloze van het Dionysische hebben kunnenomgaan: door het in te kaderen met het vormprincipe van het Apollinische.
Ik heb je gedichten hardop gelezen en gemerkt dat de 'witteplekken' een functie krijgen. Verbazing, verwondering, stil staanop de plek.
Mooi dat je dat zo zegt, vooral omdat het niet zomaar witteplekken zijn. Het is ook niet gewoon 'functioneel wit', zoalsdat heet. Bij het functionele van dat wit heb ik me nooit eenvoorstelling kunnen maken. In sommige gevallen kun je, door eenregel op een bepaald punt af te breken, een dubbele betekeniscreërenof een betekenis rekken of uitstellen. Maar ik denk dat de meestedichters door opportuniteit worden gedreven op het moment datze een afbreking invoegen en dat het wit in veel gedichten ermeer is om poëzie te suggereren dan om werkelijk poëziete maken. Het is een soort misbruik van het wit, een witwaspraktijk.
Bij mij zijn de open plekken anders ontstaan. Het zijn weglatingen.Er gaat tekst onder schuil, die ik uiteindelijk niet prijs hebwillen geven. De witte plekken zijn ooit ingevuld geweest. Hetinteressante is dat die witte plekken alleen zichtbaar wordendoor de strakke vorm waarin de gedichten gegoten zijn. Zonderdie vorm had je de afwezigheid van tekst niet kunnen ontdekken.
De vorm van je gedichten is inderdaad nogal opvallend. Bijde eerste cyclus moest ik denken aan een zandloper.
Soms heb ik het gevoel dat ik me met die vorm in de vingerssnijd. Het is voor een aantal mensen een excuus om het niet overde inhoud te hebben. Die vorm is in hoge mate arbitrair. Ik ziemijn gedichten ook niet als vormgedichten. Zo van we gaan eengedicht over wijn schrijven dus maken we de tekst op in de vormvan een wijnglas. Dat soort geintjes ligt mij niet. Alleen inde tweede cyclus heb ik me ertoe laten verleiden om in tekst eenlandingsbaan neer te leggen. Ik wilde de taal daar zo lang makenen oprekken, zo larmoyant maken, dat de zij die ik evoceer bijnaniet meer anders kan dan er op te landen.
In de andere gevallen wil ik eerder de betekenisloosheid van vormdemonstreren dan de betekenisvolheid ervan. Het is nog anders.Door het herhalen van dezelfde vorm ga je als lezer betekenisvermoeden. De herhaling zelf genereert betekenis, precies zoalsde taal werkt. Maar tegelijk blijft die betekenis leeg of verscholenen voor begripzoekende lezers die wij zijn, is dat irritant. Maarals je daar doorheen gaat, zul je merken dat die herhaling vanbetekenisloze vorm gaat werken als een rite, eigenlijk het basisprincipevan de rite is.
Toch kun je niet zeggen dat je teksten het begrip schuwen.Als de lezer zijn best doet kan hij begrijpen wat er staat.
Dit is de lakmoesproef van de moderne, pardon, postmodernepoëzie: Doorgronden we een gedicht via de weg van het begripof laten we ons meevoeren op een ritme dat we verder niet toteen eenheid proberen samen te voegen. Misschien kun je zeggendat ik via de weg van het eerste uitkom op het tweede. Bij mijvind je een stapeling van betekenissen die het menselijk vermogenom dat samen te houden in een omspannende interpretatie net tebuiten gaat. Juist als je de inspanning levert om te doorgrondenwat er staat, stuit je op een, als ik het zo mag zeggen, opwindendeondoorgrondelijkheid.
Kun je zeggen dat jij post-postmodern bent?
Het grote gevaar van het postmodernisme is de vrijblijvendheidervan. Monteren, sampelen, knippen, plakken: die uit de film-en computerwereld overgewaaide technieken zijn de hoofdrol gaanspelen in plaats van de bijrol. Het effect daarvan is willekeur,wat op termijn weer leidt tot onverschilligheid. Dat zijn allemaaldingendie het postmodernisme aan zijn gaan kleven toen het zijn tentakelsging uitstrekken van de filosofie naar de literatuur en de architectuur.In mijn bundel keer ik mij vrij expliciet tegen die onverschilligheid.
Het postmodernisme is oorspronkelijk een gevolg van een enormeverlegenheid van het denken. Door allerlei ontwikkelingen luktehet niet meer het zaakje bij elkaar te houden. Wie door dachtstuitte op paradoxen en innerlijke tegenstellingen. Ideologieënbleken de vijanden van zichzelf. Men stond met lege handen. Dekunst en de poëzie hebben van de grote nood die daaruit sprak,heel snel een deugd gemaakt. In plaats van uit te komen op chaosen desintegratie vertrok men vrolijk bij chaos en desintegratie.Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Biologisch en neurologischkan de mens dat helemaal niet aan. Onze hersenen willen van veelheideenheid maken en hebben daar allemaal strategieën voor ontwikkeld.Daar kun je niet ongestraft tegen in gaan. Het is niet de bedoelingom chaos met chaos te beantwoorden. Chaos, okay, maar als je diewilt ervaren, moet je er een vorm tegenover zetten. Dat doet dekunst. Dat probeer ik.
Als dat lukt, kun je bij vlagen over de rand van ons aangeharktebestaan kijken en voor een moment loskomen van de kaders die jekluisteren aan traditioneel machtsvertoon. Maar dat kan alleendoor de taal die je hebt te gebruiken en de betekenissen daarvanop te rekken tot het niet meer gaat en je als vanzelf over dierand wordt gedrukt. Niet om daar te verzinken in chaos, maar omuit die chaos nieuwe mogelijkheden op te diepen. Dat is misschienwel post-postmodern.
Op zoek naar een nieuwe waarheid?
Waarheid, dat is een belast woord. Sinds Nietzsche zeg je ophetzelfde moment dat je waarheid zegt, ook onwaarheid. Ik benwel bezig met het zoeken van openingen naar iets dat niet zomaarte bevatten is. Ik vind dat je een soort opdracht hebt om suggestieste doen over wat jij vindt dat je te wachten staat. Die suggestieshebben niet direct de status van waarheden. Een waarheid is eensuggestie waarvan je vergeten bent dat het een suggestie is.
In De windsels van de sfinx schrijf je over de geboortevan een kind: 'Hup, daar trekken we je de / wijde wereld in. Hopla,daar ben / je verdreven uit je verzonken stad/ / Hou daarom jebinnenwereld nog maar even vast / met de lichtblauwe wijsheidvan je vorsende blik, / want uiteindelijk zal hij toch met veelomhaal / van woorden van je af worden gepakt.'
Ja, dat fascineerde me nogal. Alsof het hele jonge kind, alshet tenminste zijn natje en droogje heeft gehad en niet geplaagdwordt door darmkrampen, zichzelf nog weet vast te houden op degrens. Je ziet dan een mengeling van concentratie en ervaringdie intenser lijkt dan waar wij, volwassenen, toe in staat zijn.Mij stemde dat jaloers en triest tegelijk. Zowel de natuur alsde cultuur staat niet toe dat dat kind blijft zwelgen in die ongearticuleerdewijsheid. Het groeit en moet zich leren handhaven in onze maatschappij.Om dat voor elkaar te krijgen moet het kind die aanvankelijketoestand vaarwel zeggen. Met elk woord dat het leert, gebeurtdat. Je ziet dan ook dat de serieusheid van het begin, wordt uitgewistom plaats te maken voor de naïviteit die kinderen doorgaanseigen is. Later, nadat iemand steeds meer verstrikt is geraaktin zijn eigen geschiedenis, zal hij of zij die toestand van vlakna de geboorte slechts met heel veel moeite terug kunnen vinden.Maar dat neemt niet weg dat je er naar mijn idee wel 'de coördinatenvan in je uitgelijnd' hebt gekregen, zoals staat in het openingsgedichtvan De aantochtster.
Verderop in dat gedicht gaat het over zeer aardse dingen:zweet, erotische aantrekking, liefde. In de tweede strofe stelje dan voor om 'lieve' te vervangen door 'hooggeëerd'. Jebesluit het gedicht dan met drie zinnen, waarvan er een luidt:'je/ wilt toch / // aankomen in het niemandsland van je eigen hersenloosheid'.Is dat het niemandsland waar het kind uit vertrok en waar hetvlak na de geboorte nog besef van heeft?
Het is een wat lange brug, maar zeker geen brug te ver. Alsje goed naar dit gedicht kijkt, zie je dat er een wending in wordtgemaakt, een wending die wil afrekenen met onze consumptieve maniervan leven. Het rücksichtslos nalopen van het eigen verlangenwordt verruild voor een verlangen daarvan los te komen. Pas alsdat lukt, kan dat besef van het kind weer de kop opsteken. Hetis op het Boeddhistische af.
Zolang je bent opgenomen in de machtsstructuren van deze samenleving,krijg je daar naar mijn idee nauwelijks zicht op. En ik weet metde al genoemde Nietzsche hoezeer wij bepaald zijn door de drangom onze verlangens te bevredigen en onze macht te vermeerderen.Mijn project is in die zin tegendraads, bijna tegennatuurlijk.Misschien is dat het charmante ervan.
Je bent nogal gefascineerd geweest door Faverey.
Een enkele criticus zag bij het verschijnen van mijn eerstebundel de invloed van Faverey. Later is me dat gelukkig niet meeraangewreven. Mijn gedichten zijn heel anders van opbouw en vantaalgebruik en ook wat ik over het voetlicht wil brengen, is anders.Dat neemt niet weg dat ik erg onder de indruk was van zijn gedichten.De combinatie van humor, diepgang en rijkdom van uitdrukking isongeëvenaard in het Nederlandse taalgebied. Reden waaromik hem begin jaren negentig, samen met Joke Hermsen, vertaaldheb naar het Frans.
In Schuldsanering staat een gedicht 'voor hans f.' Ik probeerdaarin aan te geven hoezeer hij focust op de manier waarop demens en de dingen zijn wat ze zijn. Hij is er een meester in omopen deuren in te trappen. Neem de regel 'de vis - die is in dezee'. Als lezer kun je niet anders dan dat beamen en zeggen, 'ja,zo is het'. Ik relateer hem altijd aan Heidegger. In Heideggersterminologie kun je hem een dichter van het zijn noemen. Ik vinddat heel mooi, maar het beperkt hem ook.
Aan de andere kant van het spectrum staat Celan. Die tast af ofer nog iets over is van een verdwenen ander en leunt daardoorveel meer op een filosoof als Emmanuel Levinas. Bij mij zie jede invloed van beiden. Er is de aantochtster waar je geen vatop kunt krijgen en die vanuit onbekend gebied komt aangewaaid.Ze heeft, om met Levinas te spreken, 'de hoogte' of is 'het oneindige'in de ander, datgene wat je ertoe brengt om 'hooggeëerd'te zeggen in plaats van 'lieve'.
Aan de andere kant zoek ik naar een houding die je ontvankelijkmaakt voor dat andere in de ander. Die vind ik in aandacht, verzaking,wachten, gelatenheid, woorden die meer in het vocabulaire vanHeidegger en iemand als Blanchot passen.
Je bent niet een dichter die rondloopt en geïnspireerdraakt. Je bent een denkende dichter.
Wat heet. Ik ga in ieder geval wel de anekdotiek uit de weg.Soms hoor je dichters die gaan voordragen en beginnen met: 'Ikkwam dat en dat tegen en toen heb ik dit gedicht geschreven.'Dat kan en wil ik niet. Een gedicht is voor mij niet een mooiverpakt verhaaltje. Een gedicht moet niet over een gebeurtenisgaan, maar moet zelf een gebeurtenis zijn. En die gebeurteniskan denkend zijn, als dat denken ten minste niet helemaal de kantvan de ratio wordt opgeduwd.
Lucas Hüsgen zegt in zijn essay 'Overleeft uw kruisafneming'(in: Nee, maar het gebeurt, Van Tilt 2003): 'Het gaat Vander Waal om een theoretische, of vriendelijker uitgedrukt, eenalgemene vorm van schuld: wij die onontkoombaar als talige wezensdoor het leven gaan, plegen zo noodzakelijkerwijs verraad aanhet kinderparadijs, aan de tijd van schuldeloze eenheid.'
Over de wijsheid van het kind en de manier waarop ouders hunkinderen daar door het leren van de taal noodzakelijkerwijs vanvervreemden, hadden we het al even. Hüsgen heeft dat goedgezien. Het thema van de schuld wordt in Schuldsaneringechter ook heel anders behandeld. Schuld komt van alle kantenop je af, of je het nu gedaan hebt of niet. Dat is ook het themavan wat ik zelf de belangrijkste cyclus van die bundel vind, 'Rasterwerk':Hoe het leed en de schuld van de grootste collectieve misdaadin de geschiedenis van de mensheid ook op onze generatie, ookop mij drukt, hoewel ik van na de Tweede Wereldoorlog ben en ooknog eens geen Duitser maar een Nederlander. Leed maakt geen onderscheidin leeftijd of nationaliteit of het feit of je het wel of niethebt gedaan. Leed doet een algemene aanspraak op jou en je menselijkheid,en schuift je daarom ook schuld toe. Ik heb geprobeerd om daareen verhouding toe te vinden.
In een andere cyclus, 'Kruisingen', gaat het om de schuld dieje genereert als je je losmaakt van je ouders en van de taboeswaarmee zij je hebben grootgebracht.
Bertus Aafjes heeft daar een gedicht over geschreven: 'Inden beginne' en daarin noemt hij Adam de eerste dichter. Doorhet geven van namen worden de dingen verbonden met hun connotaties.Maar het houdt geen stand, het verbrokkelt.
Wat is de schuld van Adam en Eva? Ze kozen voor kennis. Ze haddenhet lef in opstand te komen tegen het goddelijk gezag. Kinderenmoeten zelfstandig worden . Ze mogen geen poppen blijven. Kinderenmoeten leren nee te zeggen tegen hun ouders. Hoe is die ongehoorzaamheidverbonden met seksualiteit? Een vrouw maakt een man wakker. Hoeis de relatie tussen bewustwording en seksualiteit?

Dat ouder worden en zelfstandig worden is een complex proces.Ouders laten je een beetje vrij, trekken de teugels weer aan,geven je weer wat ruimte. In onze cultuur heeft dat aardig wattijd nodig, zeker als het om seksuele zelfstandigheid gaat. Deverhouding tussen man en vrouw structureert de maatschappij totop grote hoogte en de seksualiteit is daar de motor van. Als daarteveel in gerommeld wordt, treden er fricties op in de machinerie.Om die reden is seksualiteit tot op de dag van vandaag overladenmet regels, geboden en verboden, dus ook met schuld. Dat komtook omdat seksualiteit en de roes die het verschaft, al is hetmaar voor even, de neiging heeft alle wetten en regels aan zijnlaars te lappen. Het is een gekooide tijger die een kans om teontsnappen nooit zal laten lopen. Seksualiteit is in zich revolutionairen dus ook een act van bevrijding. Met name van degenen die jouwseksualiteit aan banden leggen, omdat ze nu een keer de taak hebbenom je tot een jaar of veertien, vijftien, zestien te beschermentegen iedereen die je wil belagen.
Maar op een gegeven moment ga je ook op dat vlak je zelfstandigheidopeisen. Als je merkt dat anderen je verlangen wekken, besef jedat je subject kunt zijn temidden van leeftijdgenoten. Je ontdektdat jij je binnen die categorie te manifesteren hebt. Om dat werkelijkte kunnen zul je alleen wel een breuk moeten forceren met je ouders,met degenen die jou beperkingen oplegden. En die breuk impliceertschuld. Mij is het nog steeds niet gelukt het koppel schuld enseksualiteit uit elkaar te drijven.
Is dat de taak van de aantochtster?
Ach, als dat zou kunnen.
Weet je wat het grote probleem is? Onze subjectiviteit. Die isin de loop der tijd hard geworden als graniet. Op een oorspronkelijkzachte ondergrond heeft zich zoveel geschiedenis afgezet, bedreiging,persoonlijkheid, schuld, geweld, eergevoel, krenking, dat diezachte ondergrond nauwelijks meer is terug te vinden. Vrijweliedereen heeft zich teruggetrokken onder een steeds dikker wordendeschaal en is vervolgens van zichzelf gaan denken dat hij of zijdie schaal is. Mijn vrouwelijke figuren voer ik op om die schaalopen te breken, om toegangen te forceren naar wat inmiddels eenheus terra incognita is geworden, maar waar de mogelijkheden liggenopgeslagen voor openstelling, ervaring, gemeenschap. Gedichtenzijn er niet alleen maar om te plezieren, ze moeten ook iets doen.
---------

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen