woensdag 14 september 2011

Hans Tentije


Hans Tentije
HOPELOOS MOOI
Het is bijna vijfentwintig jaar geleden dat we elkaar spraken voor een interview in de Poëziekrant. Veel is sindsdien veranderd, in de wereldpolitiek, in de Nederlandse poëzie. De dichter is twee maal verhuisd. De techniek is veranderd: vorige keer rommelde ik met een tamelijk grote bandrecorder; nu heb ik een kleine md-speler bij me en een digitale camera. Ook de Poëziekrant ziet er nogal anders uit. Is de poëzie van de dichter ook veranderd?


In de nieuwe bundel Wat het licht doet staat een gedicht 'Een sieraad haast', opgedragen aan Thomas Swinkels en Karien Hilbers, drijvende krachten achter de Eerste Bergensche Boekhandel. Het gedicht gaat over een bij een verbouwing van de zaak gevonden revolver uit de Tweede Wereldoorlog, 'een sieraad haast, zijn zwart schelpwit uitgebeten / in de tijd dat hij daar lag, onder een plank die ietsjes meegaf'

Je bundel is op Gedichtendag gepresenteerd in Bergen. Heb je het gedicht over de wapenvondst ook voorgelezen?
Nee, dat had ik al eerder gedaan. Ik kwam de winkel binnen toen die revolver pas was gevonden. Ze lieten hem aan mij zien en dat beeld bleef me bij. Toen het gedicht klaar was heb ik het laten lezen en vorig jaar bij de opening van de Maand van het Spannende Boek heb ik het in de zaak voorgelezen. Een vriend van Thomas en Karien, een bekend fotograaf, Koos Breukel, had de revolver gefotografeerd.
Was hij wit uitgeslagen?
Niet zo wit als in mijn herinnering. Die foto en een vergroting van het gedicht lagen in de etalage. Die revolver moet nog uit de tijd vòòr Valeton, de oude boekhandelaar, zijn gekomen. Hij is gestopt en de winkel is in handen van een stichting gekomen.
In het gedicht laat je je fantasie de vrije loop; je schrijft over de eigenaar: 'liep hij daar ten slotte in de val, bij de Hertenkamp / waar de weg zich alle kanten op vertakt, toen / een pauw hem toeschreeuwde en hij binnen het dansende licht / van straatlantaarns versteende'. Dat doet het licht dus ook!
Zo'n vondst is een aanleiding. Je doet er toch je eigen dingen mee.
Het wapen wordt geërotiseerd: 'streelde hij met de loop de binnenzijden / van zijn liefjes dijen, haar tepels, haar geslacht / dat als een schotwond bloeide?'
en aan het slot, als je je voorstelt dat de drager van de revolver vluchtte voor de Duitsers:
'of schoten ze hem overhoop onder de dennen
aan het begin van de Eeuwigelaan, hem bijna het hart
uit zijn lijf - verlaten kamers, vol herinneringen stromend?
in negatief, in zilverwit, in slierten mist
de jurk die zachtjes ruisend van haar afgleed, ooit
en een kort ogenblik lang hopeloos mooi
rond haar enkels rimpelde en die hij nu, midden op straat
als een vod over zich heen gegooid kreeg -'

Je thematiek is inderdaad niet veranderd: liefde en dood.
Als je kijkt naar het werk van bijvoorbeeld Huub Beurskens, zie je dat hij in de loop van de tijd heel anders is gaan schrijven. Dat geldt voor jou niet.
In mindere mate. Er is een periode geweest dat het meer naar het abstracte begon te neigen, de periode van Schemeringen, maar als je nu alles overziet, denk ik dat ik vrij dicht bij de oorsprong ben gebleven. De thematiek is niet veranderd en de enigszins documentaire aanpak van de gedichten ook niet. Stilistisch is er weinig verschil. De typografie: geen punten. Het begint met een hoofdletter. Wat ik belangrijk vind - en dat is evenmin veranderd in de loop van de tijd - het visuele aspect. Ik let zorgvuldig altijd op de regellengte. De regels moeten aan het eind verspringen; ze mogen niet te dicht op elkaar eindigen. Daar moet ruimte gecreëerd worden.
Ik vroeg me af of het met mijn groei als lezer te maken had: ik vond deze bundel minder moeilijk dan het eerste werk. Heb je zelf de indruk dat je 'gemakkelijker'poëzie schrijft?
Zeker. Dat blijkt ook wel uit de frekwentie waarmee de laatste bundels zijn gepubliceerd; de laatste drie zitten voor mijn doen vrij dicht bij elkaar. Ik ben een heel nauwgezet werker, maar ik ben wel een stuk zorgelozer geworden. Vroeger werkte ik misschien iets te precieus. Ik zat toen wel eens te lang over bepaalde dingen te dubben. Dat komt nog wel voor, dat ik voel dat het niet goed loopt of dat er iets ontbreekt of dat er iets te veel staat. Zo'n probleem kan de boel stagneren, voor ik een oplossing heb gevonden, maar over het algemeen gaat het vlotter. Je ontwikkelt in de loop van de jaren natuurlijk ook een soort vakmanschap. Je weet beter hoe het moet. Misschien wordt het daarmee ook gemakkelijker voor de lezer.
Had je vroeger meer het gevoel dat je het moest verstoppen?
Dat zou kunnen. Dat ben ik mezelf niet bewust; was ik toen ook niet. Misschien was het wel zo.
Een dichter kan veranderen door, laten we zeggen, de mode. Dat is toch bij Beurskens het geval. Vanuit de hermetische poëzie-opvatting naar een eenvoudiger zegging, ook syntactisch; de vorm is veranderd, met de mode mee: strofische gedichten, eindrijm.
Hij is meer impressionistisch gaan schrijven,
Ik heb me niet bekeerd tot het eindrijm. Een enkele keer komt dat voor, maar dan moet het ook als een beheerste paukenslag klinken. Alle modieuze stromingen zijn aan mij voorbijgegaan en dat merk je soms ook wel in de kritiek. Er wordt anders op je werk gereageerd dan in het begin. De tijd is anders; andere critici, andere opvattingen.
(Inmiddels, bij het uitwerken van dit interview, zijn er zeer lovende recensies verschenen in de Volkskrant en NRC-Handelsblad.)
Je werd aanvankelijk gerekend onder de school van Kouwenaar.
Dat heb ik nooit goed begrepen.. Ik heb het er wel eens met Gerrit Kouwenaar over gehad. Die zag dat ook niet zo. Er waren dichters die dichter bij hem in de buurt stonden. Ik heb als lezer heel veel geleerd van Kouwenaar, maar of ons werk nou zo verwant is? Misschien heeft het te maken met etiketteerdrift die altijd weer optreedt.
Men koppelde je aan de Vijftigers omdat je niet paste bij Zestig met Gard Sivik en Barbarber.
Daar paste ik zeker niet bij. Ik heb evenmin meegedaan aan de restauratie van Zeventig, Komrij. Vergeet niet bij je kleine geschiedenis Ter Balkt en Ouwens. Taalbewuste romantici.
Van de Maximalen is niet veel over. Later kwamen de performance-dichters en jonge dichters als Menno Wigman, Ingmar Heytze met hun vaste strofenbouw, wat weer niet mag van Ilja Leonard Pfeijffer. Ik vind de poëzie van Ingmar Heytze wel interessant en ik heb dingen van Wigman gelezen die ik ook niet slecht vond.
En Arjen Duinker, Astrid Lampe, Tonnus Oosterhoff? Zij schrijven een nieuwe poëzie. En de huidige discussie over betekenis.
Dat is een heel andere poëzie dan ik schrijf.
Aan de ene kant is het zo dat een lezer met bepaalde interpretaties een kant moet opkunnen, of meerdere kanten. Die ruimte moet je geven: de lezer moet zijn eigen voorstelling kunnen maken. Hij heeft zijn eigen associaties. Aan de andere kant is het zo, dat je als dichter verantwoordelijk bent voor een zekere vorm van communicatie en ik moet zeggen dat ik met de poëzie van Oosterhoff nogal moeite heb. Geef mij liever een dichter als Michel. Als ik naar oudere dichters kijk: Ouwens heb ik jarenlang gevolgd, maar ergens halverwege de bundel Als een beek begon ik af te haken en met name met het recentere werk kan ik weinig. Het hoeft niet zo te zijn dat je onmiddellijk door moet hebben waar het over gaat, maar er moet wel een vonk overspringen. Er moet iets opgeroepen worden dat je herkent. Als die herkenning uitblijft, dan is het afgelopen met jou als lezer. Daar ben ik me van bewust, ook als ik schrijf. Ik voel niemand meekijken over mijn schouder, maar je moet uitkijken dat je niet gaat ouwehoeren. Bij sommige poëzie heb ik het idee dat het een soort geouwehoer wordt, waar ik niks mee kan.
Betekenis... je kunt heel ver gaan en zeggen: niets is zonder betekenis, maar betekenis ontstaat ook door samenhang en de verwijzingen binnen een geheel van een gedicht of een bundel. Daar moet je als lezer bij kunnen aanknopen. Als je geen aanknopingspunten kunt vinden, ontstaat bij mij het idee: misschien dat de dichter of dichteres hier zelf wel bepaalde voorstellingen bij heeft, maar hij of zij heeft het dan zo opgeschreven dat het niet overkomt. Ik vind dat wel een voorwaarde.
Een gedicht kan met muzikale middelen werken, maar als ik een liedje van Gorter lees of een klankgedicht van Van Ostayen, dan is er wel degelijk nog sprake van betekenis. Als je niet wil dat lezers begrijpen waar het over gaat, moet je muziek gaan schrijven. De vraag 'wat nou betekenis?' vind ik voor een dichter een heel merkwaardig uitgangspunt.
Overigens, als ik de poëzie van Duinker lees, heb ik helemaal niet het idee dat het betekenisloos is.
Misschien schermt hij vragen over betekenis alleen maar af.
Dat kan. Er staat wel degelijk wat en het gaat wel degelijk ergens over, bijvoorbeeld een poging doen om het onmogelijke waar te maken.
Er heeft in die poëzie een wezenlijke verschuiving plaats gevonden, waardoor een nieuwe wijze van lezen wordt gevraagd. In de wetenschap zou je van eenparadigma-verschuiving spreken.
Bijna twintig jaar geleden werd jij woedend op de kritiek en schreef in Raster32
onder verwijzing naar Ida Gerhardt 'Met een bek vol blaf'. Dat werd je niet in 
dank afgenomen.
Zo werkt het kennelijk. Dat wordt je nagedragen. Het ging zo ver dat in allerlei bladen scheldkannonades in mijn richting werden gehouden, maar de beschuldigden in het stuk zelf, behalve Rob Schouten, die in VN heftig reageerde, lieten het aan hun vazallen over. Van den Brink nam het bijvoorbeeld voor Poll op. Voor Rob Schouten kan ik nog steeds geen goed doen.
Hij stopt je in de melancholische hoek.
Het zal me een zorg zijn, ik trek me er geen ene moer van aan. In der tijd heb ik me kwaad gemaakt. Dat is heel heilzaam geweest. Ik moet vaak denken aan een passage uit Ferdydurke van Gombrowitz. Ik zoek het even op...
'En ik spreek hier niet van de hartelijkste, allerliefste oordelen van onze familietantes, nee, veeleer wilde ik de beoordelingen van andere tantes aansnijden - van die culturele tantes, die talrijke kwart-auteurs en aangewaaide halve critica's, die hun beoordelingen in tijdschriften uiten. Want om de cultuur van de wereld heen brokt een horde oude aangewaaide wijven, die op de letterkunde zijn neergestreken, die buitengewoon in de geestelijke waarden zijn ingevoerd en esthetisch georiënteerd, meestal met hun zogenaamde eigen beoordelingen en overpeinzingen...' En iets verder: 'Tante, tante, tante! O wie zich nooit op de werkbank van een culturele tante heeft bevonden en stom en zonder gekerm door hun trivialiserende mentaliteit werd opgezet, waardoor het leven alle leven werd ontnomen, wie in de kranten niet tantes oordeel over zich gelezen heeft, kent geen details, weet niet welk detail het is dat in tante schuilt.' Van zulke stukjes kikker ik telkens weer op.
Had het ook repercussies voor je poëzie?
Nee, dat geloof ik niet. Maar ik werd minder besproken of op een bepaalde zuinige manier.
Is er een moment geweest dat je als dichter dacht: het moet anders?
Je bent in je poëzie altijd zoekende en ik werk nooit vanuit een kant en klaar concept. Ik maak wat aantekeningen en het een haalt het andere uit. Het gedicht ontstaat op papier. In die zin blijft het avontuurlijk, blijft het zoeken, maar ik heb niet ooit eens het idee gehad: nu moet het roer om.
Herinner je je toen je begon, dat je een bepaald soort dichter wou zijn?
Ik las in die tijd, toen ik begon te publiceren, kritieken van Fens in de Volkskrant, van Bernlef in de Haagse Post en van Rein Bloem in Vrij Nederland. In de meeste van hun oordelen over poëzie kon ik mij heel goed vinden. Ik was heel gelukkig met het feit dat zij de kwaliteit in mijn werk zagen. Maar wat voor soort dichter nou precies... dat zou ik niet kunnen zeggen. Je hebt natuurlijk allemaal je voorkeuren en voorbeelden, maar het moet nooit zo zijn dat je in het vaarwater achter de boot van je voorbeeld terechtkomt. Als het goed is ga je schrijven, omdat je meent dat er zo nog niet geschreven wordt. Zo'n soort dichter wilde ik zijn, met een eigen geluid, een eigen stem.
Herinner je je dat je dacht: ik ben een dichter?
Ja! Eigenlijk schrijf ik al veel langer, vanaf mijn vijftiende ongeveer en ergens in de jaren Zestig stagneerde dat. Ik wist niet hoe ik het moest aanpakken. Toen ben ik aan een lange roman begonnen en het schrijven daaraan heeft mij geleerd, wat betreft het kijken naar dingen, wat betreft het formuleren, hoe ik ook poëzie zou kunnen schrijven. Toen dat boek af was, was het mislukt als roman, maar er zaten wel allerlei passages in, waarvan ik dacht: dat moet poëzie worden. Dat lukte en toen dacht ik: ja, zo wil ik het hebben. Of je dan een dichter bènt? Ik had werk gestuurd naar De Gids en later naar De Revisor. Toevallig kwamen die nummers tegelijk uit. Toen heeft Jaco Groot van De Harmonie mij een briefje geschreven.
En hij is een heel trouwe uitgever gebleken, die je werk ook mooi uitgeeft.
Laten we naar je nieuwe bundel gaan. De thematiek is gelijk gebleven: oorlog, sigaretten, oude cultuur, jarretels, film, verloren tijd - ik noem weerkerende woorden.
Er zit een aantal toeristische plekken in de bundel. Men vindt het misschien ouderwets om toeristische plekken te bezingen.
Ik weet niet of het toeristische plekken zijn. Het zijn plekken waar iets met me gebeurt. Kijk, zo'n gedicht over Prora op het eiland Rügen, dat is nou niet bepaald een plek waar toeristen naar toe gaan.
Jawel, dat is een fantastische plek!
Maar lang niet voor iedereen, gelukkig. Dat Avioth in het noordoosten van Frankrijk. Dat weet bijna niemand.
Je doet een eigenzinnige toeristische ervaring op en daar schrijf je over.
Waarom niet? Je moet over alles kunnen schrijven. Ik vind het ook altijd zo belachelijk als mensen vinden dat je geen gedicht naar aanleiding van beeldende kunst zou mogen maken. Als het gedicht op zichzelf kan staan en iets te zeggen heeft, dan is het genoeg. En uiteindelijk gaat het ook altijd over jezelf.
Jij schrijft geen ego-lyriek, niet over huisje, boompje, beestje, maar het gaat natuurlijk over je eigen waarneming en emoties.
Dat heeft te maken met het confronterende. Wat richt het bij jou aan? Welke associaties roept het op?
Kind van je tijd en plek. Jeugd na de Tweede Wereldoorlog. Kust, bunkers. Gefascineerd door ondergang, grenzen. Oostblok.
Binnenkort verschijnen enkele Berlijn-gedichten in Raster; ook over Leipzig. Ik ben bezig met die reeks over Berlijn.
De bundel begint met 'In ogenschouw', een beginselverklaring en herinnering aan het kijken naar films. 'Om nogmaals de in mijn armen geklemde / levenloze, zo vlug al verstijvende haas het leger / van gejaagd langstrekkende beelden / te moeten verklaren'
Dat is wat de opdracht van poëzie is?
Joseph Beuys deed dat met die haas in zijn armen, een performance. Het is ook de taak van de dichter. We hadden het er net over: je moet als dichter een poging doen om dat leger van langstrekkende beelden te verklaren, maar dat verklaren moet je maar heel bescheiden opvatten. Veel is helemaal niet te verklaren, maar je moet de poging ondernemen. En je moet de dingen vasthouden. Het is haast een onmogelijkheid. Het gedicht laat zien wat voor soort beelden.
Die haas had ik opgevat als een beeld van verloren hoop.
En tegen beter weten in. Aan het eind van het gedicht wordt hij als het ware tot leven gewekt en er op uit gestuurd. 'onweidelijk' is een jagersterm; niet in overeenstemming met de regels van de jacht.
Het onmogelijke proberen te bereiken. Je bent gedwongen als Sisyphus die taak op je te nemen.
De assonanties komen niet altijd bewust?
Je ziet ze of hoort ze en denkt: ah, er kan er nog eentje bij. Niet te veel. Je moet het niet te bont maken. En de botsende beelden. Of woorden uit een betekenisveld.
Maar sommige woorden moet je onvermoeibaar blijven neuriën. (Het motto van de bundel, van Patrick Modiano).Vasthouden tegen beter weten in. Dit slaat ook op mijn thematiek.
(Later zie ik bij een rondleiding door het huis langs beelden van Peter Bes, het bureau en de tekstverwerker en blaadjes met allerlei aantekeningen, doorhalingen, pogingen.
Peter Bes uit Den Helder is beeldend kunstenaar, met wie Hans Tentije 
congeniaal is.)
'De spuwers van Avioth'. Een uitermate merkwaardige plek voor zo'n grote kathedraal. Ik denk dat de bedoeling van de opdrachtgever is geweest, dat het dorp zou uitgroeien tot een stad en dat is om begrijpelijke redenen nooit gebeurd, want in die hoek is altijd het slagveld van Europa geweest.
Je hebt het over de koeien in de buurt: 'vliegen / die oogleden teisteren, geel gemerkte / oren, staarten die het niet aankunnen' - je hebt af en toe van die humoristische passages - 'schaduw / zoekend en vergeving, aan de afkalvende, stukgetrapte / oevers van een modderpoel'. Doe je dat bewust?
Je krijgt dingen al schrijvend soms cadeau. Er moet alleen wel voor gewerkt worden.
Ik ben er toevallig ook geweest, tijdens de laatste eclips, maar ik was de Recevresse van de kerk vergeten. Ik was op zoek naar een mantelmadonna, die daar hing.
Zo zie je dat iedereen andere dingen ziet of zoekt. Het heeft te maken met je eigen wereldbeeld en geschiedenis. Die Recevresse is een ontvangstruimte en die is uniek in zijn soort. Daar legden de pelgrims hun giften neer. Onderweg - de Melkweg - naar Santiago. Heel merkwaardig dat een aantal van die spuwers met een erectie zijn afgebeeld.
In het vijfde gedicht van die reeks staat: 'van steen te zijn en toch bijna te zweven, regens / terug te geven aan rioolkolk, sterfput, verjongingsbron -'
Hoe kom je aan die 'verjongingsbron'?Komt die uit de schilderkunst?
Ja, je hebt 'Der Jungbrunnen' van Lucas Cranach.
Het is de taak van die spuwers om het water af te voeren, dat komt overal in terecht. Het werkt soms heel gek, onachterhaalbaar. Ik ken een afbeelding van het schilderij. Toen ik het gedicht schreef heb ik niet aan het schilderij gedacht. Via de 'sterfput' kwam ik kennelijk op de 'verjongingsbron'. Dat is iets wat ik wel vaker doe, met tegenstellingen werken.
De volgende afdeling 'Lieflijk is het' met Orvieto en Perugia en Chiusi.
Zo lieflijk is het niet: ook daar massagraven, open riolen etc. Afrikaanse dames in de bermen 'als wilde orchideeën'.
Dan komt 'Val d'Arno'; een kerngedicht.
Dat wou ik net zeggen. De beelden van vroeger die een rol spelen, wat je eerder elders heb gezien aan de Moldau. Verdrinking. Zelfmoord? Ja, dat wordt aangegeven: 'voor als het peillood van je angst / geen grond meer voelt en het hoogteroer van je emoties / /gaat haperen'. Als ziekte dreigt en je het lijden onder ogen moet zien... Het is in de fantasie vooruitlopen op het einde, op je eigen einde natuurlijk. Het doet ook heel sterk een beroep om van het leven te houden, door al die beelden die erin opgenomen zijn. Dat vrijende paar tegen het eind.
'waar de kafnaalden // van de grassen al bijna doorgekropen zijn -'
(Lachend) Ja, ze hebben er lang gelegen denk ik.
'de wijfjesaal / van Montale' kon ik niet plaatsen.
Dat is uit De roos in de kermistent. 'De sirene'. Een prachtig gedicht. Ik kan het helaas niet in het Italiaans lezen, maar dit is een mooie vertaling. Wat je gelezen hebt, speelt mee in je waarneming. 'De wijfjesaal, sirene der koude wateren, die het Baltische verlaat...' 'Kun je haar niet beschouwen als je zuster?'
Dan het gedicht naar aanleiding van de litho van Munch. Hij hangt nu in het Gronings Museum bij de 'Fatale vrouwen'.
Ja, ik ben er geweest. Heel merkwaardig, want dit zelfportret past niet helemaal. Ik vond het trouwens wel het mooiste zaaltje van de tentoonstelling.
Je gaat heel ver in je identificatie met Munch...
- ...
Dresden: 'Golgotha in een notendop-' (In het Albertinum te Dresden bevinden zich de in de beide helften van een walnotendop aangebrachte kruisigingsscène en de slang in de boom van goed en kwaad.)
Dat was een bijna Stendhal-ervaring (heftige emotie bij het zien van iets moois, RE). Je komt met het beeld van die stad dat museum in en dan zie je zoiets! 'het beeld dat een onbekende meester / voor de geest kwam, ligt, uit been gesneden, op de plek / van een van de hersenhelften' ... 'welk instrumentarium, welk werktuig Gods / maakte dit mogelijk, zorgde ervoor dat dit kleinood / gespaard bleef en nu te zien is / achter het ongeschonden glas van een vitrine / maar waaromheen de vernietiging // hier, in Dresden, oudtestamentischer, meedogenlozer / toesloeg dan ergens daarvoor stond geschreven'.
De opbouw van de stad gaat langzaam. Ik ben er vorige zomer weer geweest. De oude beeldbepalende gebouwen aan de Elbe hebben ze al vrij snel weer hersteld. Het paleis lag destijds ook grotendeels in puin, maar is praktisch geheel gerestaureerd, hoewel ze nog steeds niet zijn uitgewerkt. Maar het spoor van het Engels-Amerikaanse bombardement van '45 kun je nog volgen in de stad. Er is nog braakliggend terrein. Soms zie je zelfs nog ruïnes.
We hadden het over 'melancholie'. Gaan de kritici weer zeuren over melancholie?
Misschien wel. Ik kan niet in die koppen kijken. Ik zal niet ontkennen dat over sommige gedichten een waas van melancholie ligt, maar het is lang niet het enige aspect. Het is tegelijkertijd, denk ik, een heel vitale bundel. Bijvoorbeeld in het gedicht 'Val d'Arno' gaat het niet alleen over sterven; er blijkt een enorme hang naar het leven uit. Dat speelt in meer gedichten een belangrijke rol. Besef van vergankelijkheid roept iets van melancholie op. Je noemde net de humor in bepaalde passages. Dat zit er ook in.
Misschien wordt 'Sehnsucht' verward met melancholie.
'Heimwee' is ruimer en reikt ook vooruit. Heimwee naar schoonheid. Verlangen naar eenheid, volmaaktheid. Een dichter moet het over de wezenlijke dingen van het leven hebben en daar hoort de dood bij.
Men heeft me wel verweten in de kritiek, dat ik niet op humor was te betrappen en dat het werk naar mystiek zou neigen.
Poëzie is een verkenning van het onbekende en het willen uitspreken van het onnoembare, wat dat dan ook moge zijn, maar dat bevindt zich toch wel allemaal aan deze kant van de streep. Het raadsel van de verschijningsvormen.
Ik moet denken aan een citaat dat ik in de inleiding van het boek over beeldend kunstenaar Peter Bes (Getekend licht) heb gebruikt: 'To paint is to bring inside - doubly: into the inhabited space around the image and into the frame. The paradox of painting is that it invites the spectator into its room to look at the world beyond.' (John Berger) Daar hebben we het.
Dat is ook wat het licht doet? Even bloot leggen van de verschijnselen in al hun raadselachtigheid.
Onze opmerkingsgave is vrij beperkt. We hebben beiden Avioth bezocht; jij zag de Recevresse niet goed, ik de mantelmadonna niet. We hebben beiden goed rond gekeken. Je bent als waarnemer altijd heel subjectief en selectief. Je blik is eenzijdig. Je zou het maken van een gedicht of schilderij kunnen beschouwen als iets dat de mogelijkheid biedt om uit de beperktheid te breken en meer te willen omvatten. Dat is voor mij die wereld 'beyond'.
--------

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen