woensdag 14 september 2011

Esther Jansma

Het te noemen (een soort opeten)

Esther Jansma (1958) schreef op jonge leeftijd al verhalen omdat zij vond dat de dingen genoemd moeten worden om voort te leven.
Zij snapt niks van tijd en is er daarom zo door gefascineerd. Hoe kunnen dingen en mensen zo maar verdwijnen? Toen ze vier jaar was stierf haar vader als gevolg van een auto-ongeluk. Haar ouders waren beeldhouwer. Het gezin bestond uit vijf kinderen. Ze heeft een links moralistische opvoeding gehad.
Ze vond zichzelf lang dom, maar begreep dat ze dat niet meer kon volhouden toen ze cum laude promoveerde op 'RemembeRINGs'. Zij is behalve dichter wetenschappelijk hoofd van het dendrochronologisch laboratorium RING. Zij kan resten hout tot op een jaar na nauwkeurig dateren, hetgeen van belang is bij archeologisch onderzoek, maar ook bij de datering van schilderijlijsten.
Ze kreeg vier kinderen, waarvan ze de oudste twee moest verliezen. Nu zorgt ze voor Julia (bijna twee) en Melle (vier).
Haar meest recente bundel is Dakruiters. Eerder verschenen Stem onder mijn bed (1988), Bloem, steen (1990), Waaigat (1993) en Hier is de tijd (1998) (VSB Poëzieprijs 1999). In 1997 verscheen proza: Picknick op de wenteltrap.
----
V.: Je wou al heel jong archeoloog worden, mensen opgraven.
A. Mensen niet. Dat heb ik ook nooit gedaan. Eén keer toen ik studeerde, had ik de leiding over een ploegje in Schagen en toen vonden we een skelet, maar daar ben ik niet aangekomen. Daar ligt voor mij een grens. Mensen hebben die man of vrouw begraven en dan vind ik dat we de resten moeten lagen liggen. Laat maar, afblijven. De privacy wordt geschonden door het open te trekken. Veenlijken, mummies als kunstwerken in een museum, dat vind ik bizar. Je hebt dat ook bij die groeiafwijkingen in glazen potten, in Leiden, dat vind ik eigenlijk niet kunnen.
V. Graven, laag na laag bloot leggen heeft veel te maken met zoeken naar de tijd. Zoeken naar onze voorouders.
A. Het is leuk om sporen te lezen. Ik ben altijd heel erg in de grond geïnteresseerd geweest. Ik had waarschijnlijk net zo goed geoloog kunnen worden. Ik vind de laagjes op zich mooi; het besef inderdaad van alle tijd die daar in zit. Misschien ben ik nog meer in de grond geïnteresseerd dan in onze voorouders.
Mijn moeder was beeldhouwer en die vond vaak fossielen in de stenen. Die gaf ze aan ons.
V. Je vader was ook beeldhouwer.
A. Ja, maar die stierf jong. Het echte beeldhouwen heb ik bij mijn moeder gezien.
V. Het meisje uit Picknick op de wenteltrap houdt vooral veel van vader.
Het kind pakt in die verhalen de dood van de vader heel feitelijk op. Ze zegt tegen de meester op school: mijn vader is dood.
A. Zo zijn kinderen.
V. Maar wel steeds er mee bezig. Allerlei sporen zoeken van de vader en zich op een gegeven moment realiseren dat ze al dingen is vergeten. Hoe klonk zijn stem? Het kind accepteert zijn dood als een feit waar je niet omheen kunt.
A. Ze accepteert het eigenlijk niet, denk ik. Daarom denkt ze aan het eind in het ziekenhuis: hé, we zijn hem geworden. Ik kan hem niet hebben, dan moet ik hem maar zijn. Ze accepteert het helemaal niet, bij nader inzien.
V. De titel Picknick op de wenteltrap wordt verklaard op p. 82: 'Af en toe een pauze om iets te eten' bij het omhoogklimmen langs de trap. (Zie kader)
A. Zaten we daar met z'n allen. (lacht) Dat boek zit vol met het verlangen naar die veilige plekjes. Met z'n allen op een trapje zitten bij elkaar en dan eten, dat is heel veilig. Bij de vader op de boot slapen. Beperkte ruimtes en daar dan zijn! Niks kan weg en iedereen is bij elkaar. Als je vader weg gaat, wil je het allemaal bij elkaar houden. Daarom wou ik vroeger schipperskind zijn: ik dacht, dan woon je met z'n allen op een boot. Alles verandert, alles gaat voorbij, maar wij zitten daar met z'n allen bij elkaar, we kunnen er niet af, de grote mensen kunnen niet weg en ze zorgen voor ons...
V. Het in de dingen kruipen is veilig. Kun je dat ook als volwassene?
A. Dingen kunnen mij ontzettend ontroeren. Dat ze er maar zijn en er zijn en er zijn. Mensen denken er vaak niet aan, dat ze er zijn. De onderkant van zo'n stoel, waar niemand ooit naar kijkt. Of de achterkant van die verwarming. Daken van stations. Plekken waar niemand ooit op let.
V. Dakruiters. En het gaat allemaal voorbij. Is er, in het algemeen, woede in jou over de dood?
A. Nee, geen woede, maar wel een soort afgrijzen. Ik snap het niet en ik vind het heel erg.
V. Je hebt een heel druk leven, persoonlijk en in je werk. Daarnaast de poëzie. Ik vraag me af of je je bezig houdt met de poëtenstrijd, zoals nu met Ilja Leonard Pfeijffer, die een artikel heeft geschreven, waarin hij zich afzet tegen te gemakkelijke performance-poëzie.
A. Ik heb de reactie van Piet Gerbrandy in De Groene gelezen. Ik heb daar een beetje een gelaten standpunt over. Iedere tien jaar krijg je dat weer. De mensen van epibreren vinden dat de poëzie de straat op moet, wat tien jaar geleden de Maximalen wilden. Het is een sociaal verschijnsel. Ik moet dan altijd aan aapjes denken. Als de mannelijke kindjes gaan puberen, dan gaan ze aan de rand zitten en pesten, tot ze aanzien hebben en dan krijgen ze een wijfje en dan zitten ze midden in de groep. Het is hetzelfde fenomeen. Ze roepen omdat ze meer macht willen.
V. Er wordt vanuit de tv en de kranten gevraagd om een begrijpelijker poëzie. Ilja zegt: nee, poëzie moet geheimzinnig zijn, moet op afstand blijven. Je moet zoeken naar de betekenis, anders is het niet interessant.
A. Daarin gaat Ilja vrij ver. Ik denk dat simpele poëzie mooi kan zijn. Het is geen kwestie van ingewikkeldheid. Ik deel het standpunt van Piet Gerbrandy. Het gaat niet om ingewikkeldheid, het gaat om goede taal. Paul van Ostayen heeft hele simpele dingen geschreven, maar heel mooi. Of Gorter. Het haakt aan bij de tegenstelling hermetische en anekdotische poëzie. De hermetische poëzie zou beter en hoger zijn dan die andere. Voor mij is dat niet van belang. Ik eet van alle walletjes. Ik ben een tussenfiguur. Per gedicht bepaal ik of het ingewikkeld wordt of niet. Ik heb daar geen algemeen standpunt in. Elk gedicht heeft weer wat anders nodig. Wie wel en niet meedoen aan het poëtendebat is een sociologisch verschijnsel. Er doen nauwelijks vrouwen mee, aan welk debat dan ook. Als je kijkt naar wat er gecanoniseerd is vroeger, dichters, dat zijn mensen die manifesten hebben geschreven en dat zijn allemaal mannen. Het heeft te maken met op wat voor soort macht je uit bent. Ik zie dat wel. Toen ik in de jury van de PC Hooft-prijs zat, heb ik uitgezocht hoe de samenstelling van de jury was in het verleden en wie er gewonnen hebben. Uitsluitend mannelijke juryleden hebben nooit een vrouw aangewezen. De essayprijs is nog nooit gewonnen door een vrouw. De gemiddelde leeftijd van de winnaars was 54, maar bij vrouwelijke dichters 76. Dat schrijf ik op en dat is mijn bijdrage aan een debatje. Ik heb geen behoefte me te mengen in het poëtendebat dat nu gaande is. Ik vind het sop de kool niet waard. De mensen van epibreren doen in feite een zwaktebod door te zeggen dat hun teksten niet meer als teksten gezien moeten worden, maar als teksten plus muziek. Teksten moeten als teksten gelezen kunnen worden. Als die teksten niet interessant genoeg zijn, is dat jammer. Overigens was ik er een voorstander van dat Dylan de Nobelprijs voor literatuur zou krijgen. Liedjes kunnen heel goed zijn qua tekst. De platen van Lennart Nijgh en Boudewijn de Groot vond ik prachtig. Ik was toen nog heel jong en ik begreep niet alles, maar dat dat in het Nederlands kon, dat was een eye-opener voor me.
V. Er is nog een discussie, aangezwengeld door J.H.de Roder die het heeft over 'betekenisloze' poëzie, die kan communiceren zonder rationaliteit.
Je kunt een gedicht prachtig vinden zonder het te begrijpen.
A. Dat heeft met muziek te maken: klank en ritme. Ik tik vaak het ritme van een gedicht en heb er plezier in als het goed klinkt. Dat schrijf je niet bewust.
V. Je bent al heel jong met poëzie bezig geweest via je verhaaltjes. Picknick op de wenteltrap gaat terug op je kindertijd, toen je al schreef en dat boek is heel poëtisch. Werd de poëzie op de middelbare school gestimuleerd en leerde je toen de dichters kennen?
A. Nee, dat is heel anders gegaan. Ik las nauwelijks poëzie. Er waren geen poëzielessen. We hadden een paar bundels thuis. Neeltje Maria Min stond er, Gerard den Brabander. Dat laatste vond ik niks. Neeltje Maria Min vond ik mooi; ik durfde die gedichten zelfs niet goed te lezen omdat ik ze té mooi vond. Ik schreef wel. We hadden een literair blaadje opgericht en daar publiceerde ik gedichten in, maar ik las niet. Ik las heel veel proza, alles wat los en vast zat. Rond mijn achttiende in Parijs wilde ik schrijver worden.
Ik las gek genoeg geen poëzie. Dat ben ik pas gaan lezen na mijn eerste bundel. Daarvoor wist ik niet goed wat ik met gedichten moest. Ik vond ze zo gewichtig. Rond het verschijnen van mijn eigen bundel ben ik gaan lezen en toen merkte ik dat ik een oordeel had, dat ik sommige dingen mooi vond en andere slecht. Hier en daar dacht ik: dit zou ik anders gedaan hebben. Maar ik herinner me nu een gedicht van Willem van Toorn in een literair blad dat ik heel mooi vond. Dat was ver voor mijn eerste bundel. Ik las dus wel in tijdschriften.
V. Het métier heb je jezelf geleerd?
A. Toen ik begin twintig was had ik contact met Ed Leeflang - die had ik dus ook gelezen - en daar mocht ik eens in de paar maanden langs komen en dan hielp hij me. Hij praatte over wat er goed en slecht aan was.
Bijvoorbeeld dat je geen dingen moet opschrijven die niet kunnen. Er is al zo veel vrijheid. Je moet niet de natuurwetten geweld aan doen, behalve als je dat expres wilt. Later heb ik een cursus bij hem gevolgd, via de SLAA of de Balie. Er zaten vier of vijf mensen in die groep. Daar werden goede dingen gemaakt.
V. Het is merkwaardig dat het meisje uit Picknick zo doordrongen is van de relativiteit van de werkelijkheid.
A. Dat kwam ook door mijn vader. Die zei bijvoorbeeld: als je staat en je gaat lopen, kun je met linkerbeen beginnen en dan gebeurt er dat en dat, maar als je met je rechterbeen begint, gebeuren er andere dingen. Alles wat je doet heeft duizelingwekkende consequenties. Dan dacht ik: ik ga stil staan. Maar dat is ook een keuze. Ik was me bewust van parallelle universa, zonder die woorden te kennen. Dat is een model uit de quantummechanica. Ik voelde dat er ontzettend veel mogelijke uitkomsten van alles zijn. En dat het zonnestelsel een molecuul is en dat dan weer in iets groters is opgenomen en zo verder. Daar had mijn vader het over. Ik weet van mijn neven, dat die dat ook hadden. Ik stel me zo voor dat mijn vader en zijn broer als kind al naar de sterren keken en dus naar het verleden. Mijn vader hield erg van science fiction en dat genre heeft allerlei wetenschappelijke veronderstellingen gepopulariseerd.
V. Je hebt een slecht geheugen. Is het schrijven een middel om de werkelijkheid vast te houden?
A. Omdat mijn vader zo jong stierf, zijn we steeds bezig geweest hem in herinnering te roepen door verhalen te vertellen. Ik dacht bij het schrijven van Picknick dat ik de herinnering boven kon halen door een reeks dia's, die wel in een andere volgorde hadden gekund. Het is niet zoals het echt was. Het zijn al restanten. De herinneringen zijn al veranderd door het vertellen.
V. De tover van woorden. Door het zeggen van 'oneindigheid' heb je er al deel aan.
A. Dat is heel primitief. Denk aan de rotsschilderingen. Als je een beest schildert en je gaat er op schieten, dan schiet je ook in het echt. We weten dat het niet waar is, maar het voelt wel even waar. In het gedicht wil je een waarheid maken, die op dat moment geldt. En die weer over is zodra het gedicht uit is.
V. Verlangen naar het absolute?
A. Zolang het gedicht duurt. Ik heb helemaal geen hang naar het absolute. Ik vind het zelfs doodeng.
V. Nijhoff zei: alle poëzie is profane wereldlijke mystiek.
Jij zegt in 'Realisme': 'Het bestaat al voordat ik het ophap / oplik uit het onbekende'.
A. Ja. Ja. Okay, als je dat met het absolute bedoelt... Maar het moet niet langer duren dan het gedicht. Ik wil het relativeren. Daarom hebben al die gedichten verschillende vormen. Ik ben in mijn oeuvre niet uit op het absolute. In 'n gedicht ben ik uit op 'n absolute.
V. Hoe weet je wanneer je een gedicht gaat schrijven?
A. Als ik onrustig wordt. Als er in de verte iets mij roept. Het gedicht namelijk, dat gemaakt wil worden. Het begint met een toon, een stemming, een ritme. Het is meer een muziekje, met een sfeer, dan een onderwerp. Ik doe veel in opdracht. Ik zeg ja als ik voel: ja, ik kan wel een kamertje in mijn kop openmaken waar iets zit dat ik hier aan kan verbinden. Dan weet ik het inhoudelijk nog niet. Er is een stemming, een liedje en dan ga ik schrijven. Het gaat buiten mijn bewustzijn om en dan ga ik zitten. Ik schrijf een gedicht vaak heel snel op. Wel veel corrigeren, maar soms ook niet. 'Val'... een middag, een paar uur.
V. In je eigen analyse van dat gedicht (in Mooi, naar dat is het woord niet van Rutger Kopland) ga je heel afstandelijk en ambachtelijk te werk.
A. Ja, dat moest wel, met zo'n onderwerp! Ik moest het naar een ander plan tillen, anders blijft het zo persoonlijk.
V. Je begon met het gedicht 'Archeologie' om de emotie van de lezing te neutraliseren. Je bent je heel bewust van poëtische effecten. Er staat bijvoorbeeld: 'dan liefst eenvoudig, aan de hand van kleding. / Je zit aan tafel. Opeens zie je hoe iemand / ijs overstak, hoe hem de kou beving.'
Eerst al de weglating van 'en' na 'tafel'.
A. Dat moet zo, want het gebeurt plotseling. Met 'en' zou dat verzwakt worden. Daar denk ik niet over na, dat gaat vanzelf. Achteraf kan ik het wel uitleggen.
V. En dan die vondst van 'kleding' en 'beving'. Je legt het uit in 'Tegen kou bijvoorbeeld' (Uit: Mooi, maar dat is het woord niet): 'Net zoals in de eerste regel van de derde strofe de bescherming die verhalen ons bieden vereenvoudigd werd tot kleding, wordt in de twee erop volgende regels de kilte van zomaar bestaan getransformeerd tot gewone kou, tot de lage temperatuur van, bijvoorbeeld, ijs. Het woord 'beving' speelt in deze transformatie een niet onbelangrijke rol. Door dit woord direct achter het woord 'kou' te plaatsen, aan het slot van een regel waar je op grond van het rijmschema een woord zou verwachten dat op 'kleding' rijmt, klinkt in 'beving' het woord ' béving' mee. Hierdoor zie je degene die het ijs overstak opeens echt beven van de kou, of misschien raakt de kou als een beving, een kleine aardverschuiving, zijn lichaam binnen.'
Krijg je zoiets cadeau of komt dat later?
A. Tijdens het maken. Misschien niet de eerste keer dat ik het woord opschrijf, maar bij overlezen, als ik kies om het te laten staan.
Het grappige bij dit gedicht is, dat ik, toen ik het geschreven had voor mijn promotor, ik dacht: nu heb ik een traditioneel gedicht gemaakt, ambachtelijk, ik heb een vak uitgeoefend. Later ben ik toch van het gedicht gaan houden en heb ik gezien hoe het bij me hoort.
V. Dat komt ook door de omslag in het gedicht en je laat heel bewust het eindrijm weer los. Mooi trouwens hoe De Coninck aan het slot tevoorschijn komt.
A. Dat blijkt een regel van iedereen. Toen ik Herman vroeg om toestemming om de regel te gebruiken, stond Benno Barnard er bij en die zei tegen De Coninck: ja maar jij hebt die regel van mij. Die regel zwerft kennelijk rond en is van iedereen.
V. De eerste moet Kouwenaar zijn geweest. Maar goed, net als de psychiater Kopland taalvakman is geworden, ben jij als archeoloog ambachtelijk dichter geworden. Kijk je ook ambachtelijk naar andere gedichten?
A. Ik kan haast alleen maar ambachtelijk naar gedichten kijken. Bij Engelse literatuur is het gemakkelijker om met de taal mee te gaan, om me te laten meevoeren omdat ik de context minder goed snap. Er zijn maar weinig Nederlandse dichters die me raken, waar ik de ambachtelijke kijk kan loslaten en mee kan gaan. Dat zijn de groten: Kouwenaar, Kopland. En van de 'jongeren' K.Michel en Frank Koenegracht, Martin Reints. Het is niet zo dat ze op mij lijken... ze zijn heel rationalistisch. Ik ben er ook een van het schmieren en het grote gebaar. Ik ben nergens bang voor. Ik vind niet dat poëzie een standpunt hoort in te nemen, het mag iedere keer een ander standpunt zijn. Als Maarten Doorman in zijn stukje over Dakruiters schrijft: ze gaat aan de haal met de filosofie, denk ik, ja dat mag ik doen. Ik mag over alles schrijven! Ik mag ook rijmen; ik mag ook een schlager maken. Ik mag alles. Bij Reints en Michel zie ik een andere benadering. Een standpunt van waaruit een bepaald soort gedichten interessant is: licht, geen moeilijke taal, beelden in plaats van emoties en een soort afstand tot de werkelijkheid. Ik kies per project. Ik kan ook in de werkelijkheid kruipen.
Als dichter zit ik tussen de rationalisten en de romantici van nu. Al die jonkies zijn romantici.
V. Je kroop blijkens Picknick als kind al in de werkelijkheid. Daar vind je al allerlei transformaties en metamorfosen. Je wil voortdurend veranderen, in een nieuwe levensfase komen.
A. Ik ben er niet bang voor en het is me vaak overkomen. Toen mijn vader stierf, was ik kind zonder vader. Daarvòòr al toen mijn ouders scheidden. Het is steeds met mij gebeurd. Ik moest wel mee veranderen.
Ik geloof in veranderen, vind het leuk.
V. Je bent je bewust van het doorgaan van de tijd èn van het moment. Je wilt in het nu leven.
A. Dat is het fijnste wat je kunt doen.
V. Je bent je ook heel bewust van het relatieve van het ik. Het ik is niet meer dan een bundel herinneringen. Een mens heeft zo veel persoonlijkheden in zich. De Romanticus, Oud en het hoofd in Picknick.
A. Ik was me als kind bewust van de relativiteit van mijn eigen ik. Ik ben deel van een identieke tweeling. Moet je je voorstellen: er is een celdeling en die twee dingetjes die gaan zich ontwikkelen tot mensen. Mijn zusje zit in dat lijf en ik in dit lijf. Wat nou als er geen splitsing was geweest? Dan was ik een ander geweest. Wie was het dan? En het feit dat mensen ons met elkaar verwarden. 'Hoe weet ik nou dat jij Esther bent?'
V. In 'Archeologie' gaat het over afscheid. Je legt zelf uit in je analyse dat het ruimer gelezen kan worden: 'spreekt de 'ik' zichzelf aan in het gedicht, verhaalt ze hoe ze zichzelf niet kon troosten, zichzelf, degene die liefhad, steeds geschondener zag worden, om haar uiteindelijk los te moeten laten.'
A. Dat het schrijven van zo'n gedicht werkt ... de motor van het gedicht is de wreedheid naar jezelf toe. Het was ook hard tegen mezelf zijn. Anders is het niet interessant. Er moet iets met jezelf gebeuren. Als het alleen maar 'aai aai, lieve schat' is, dan is er geen energie om iets te doen. Dan hoeft zo'n gedicht niet geschreven te worden. Zo'n gedicht moet jezelf bang maken. Ik weet niet of ik me ervan bewust ben als ik schrijf, maar als je zelf niet op het spel staat, hoeft het niet. Waarom schrijf je iets? Het is een moeilijk onderwerp. Er zijn misschien allerlei hersenfuncties in het spel, waar je geen weet van hebt.
V. In jouw gedichten is 'aandacht' belangrijk. Aandacht voor de dingen.
Ik moest denken aan Simone Weil, die in haar filosofie de aandacht centraal stelt.
A. Dat vind ik een prachtig standpunt. Niet alleen in de poëzie, ook in het dagelijkse leven.
V. Respect. Engagement. Dat vind ik in het lange gedicht 'Duizend' en in 'De historische werkelijkheid'.
A. Dat heb ik met erg veel plezier geschreven, over die boeren. Breugheliaans. Daar heb ik het respect geïroniseerd. 'Men rook niet lekker, men was in het algemeen / in geen enkel opzicht lekker, men sloofde wat af, / er werd in god en honderdduizend gedetailleerde zonden geloofd, / men slachtte varkens om te eten en vreemden / omwille van rust in het hoofd?'
Ik weet nog goed, we woonden buiten en we waren in de sloot aan het zwemmen, mijn zusje en ik. Bloot. Hoe oud waren we? Tien, twaalf. Even verder stond een trekker, van de buren, en de buurman sprong over een sloot, liep over een balk, een pokke-end naar ons toe. Wij zaten natuurlijk tot ons neus in het water. En hij zei: 'Ken je zien, wat voor soort of dat ben!' Maar hij moest het wel zien! Kon je zien wat voor soort híj was! Jah! Kleine meisjes kijken.
Woede, dat mensen zo stom in elkaar zitten. Als kind dacht ik dat de wereld beter zou worden. De fouten van vroeger zouden wij niet maken. Dat gebeurt nooit meer. Wij hebben geleerd van Chili, Allende. Wij zullen het anders doen. Wat doen wij anders? In Algerije worden ze afgeslacht en we leven gewoon door. Ik ook. Alles wat je kunt bedenken, gebeurt nu. Er is helemaal geen vooruitgang. Ik vind het zo gek dat mensen niet van mensen houden. We zouden zuiniger moeten zijn op elkaar
V. Uit 'Aan' blijkt je interesse over hoe de dingen in elkaar zitten.
A. Dat kun je op verschillende manieren lezen. Het kan over het gedicht gaan, het kan over een mens gaan.
'Europa' heb ik gemaakt bij een ets over een klein vrouwtje op een heel groot paard.
V. De Sjaantje-gedichten. Mooi, die kinderlijke toon.
A. Daardoor heeft de kritiek misschien gemist dat het liefdesgedichten zijn: Sjaantje wil een huis en een minnaar.
V. Het laatste gedicht van die reeks. Dat is totaal anders. Bach. Het doet aan Van Ostaijen denken.
A. Heerlijk gedicht, heerlijk om voor te lezen. Ik hou veel van muziek. In een ander leven zou ik willen musiceren. Jammer dat we niet gewoon meer mensen kunnen zijn. Ik heb eens een portret gemaakt in klei. Was heel goed, maar ja. Had ik ook kunnen doen, maar ik keek wel uit met twee ouders als beeldhouwer! Het is me ook te dingachtig, al die spullen. Het fijne van schrijven is dat je er bijna niks voor nodig hebt. Ik wil het met woorden doen. Het moet een soort helderheid krijgen.
V. Peter de Boer gaf in zijn bespreking in Trouw een goed beeld van de openingreeks 'Hebben'.
A. Ja. Veel recensenten hebben de betekenis van die reeks gemist; ze zagen die roos als een poëtische metafoor. Die roos is voor mij simpel een lijk. Het gaat over de dood. En als je Bloem,steen kent, dan weet je dat ook. Die recensenten denken dat de roos een metafoor is van de werkelijkheid, die niet gekend kan worden. Ze hebben de reeks te filosofisch opgevat. Voor mij is het een oneerbiedige reeks. Er zit veel zelfspot in. En het gaat over pijn.
'Wat nooit iets wist, zonder pijn zichzelf / niet (...) kan ik alleen maar hebben lijkt het / door het te noemen (een soort opeten) (...) ik wil haar terug, desnoods zo: // niet-roos.'
-------
De Val
We kruisten de Styx.
De veerman lag dronken in zijn schip.
Ik hield het roer en we zonken als stenen.
Water bestaat als de aarde
in lagen, transparante linten, glanzende strata
van steeds kleiner leven, minder warmte.
In je haren bloeiden luchtbellen,
de stroom trok je hoofd naar achter
en streelde je hals.
Stenen wuifden met armen van algen en varens,
zongen zachtjes gorgelend 'vrede'.
Ze sneden je kleren los.
Vissen likten het bloed van je benen.
Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten
maar we vielen te snel en er zijn geen woorden
die zonder lucht bestaan, mijn liefde
bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,
de plaats markerend van het ongeluk
voordat ze verder dreven. Je mond ging open.
Je gezicht werd rood, je handen zochten
evenwicht, zochten mijn armen.
Je probeerde in me omhoog te klimmen.
Je was een glasblazer met een wolk van diamanten
aan zijn mond. Ik hield je vast als een katje.
Ik aaide je vingers.
Je liet niet los.
Je sliep en ik aaide je vingers, liet los.
Archeologie
Als we ons dan toch moeten kleden,
tegen kou bijvoorbeeld, of in naam van iets,
in resten van dit of dat verleden,
verhalen en geheugensteuntjes die niets
vertellen dan dat we er al waren
in de tijd die bestond voor dit heden -
als wij onszelf alleen in het nu kunnen bewaren
door ons zelf voortdurend uit te vinden in het nu
dan liefst eenvoudig, aan de hand van kleding.
Je zit aan tafel. Opeens zie je hoe iemand
ijs overstak, hoe hem de kou beving
of een ander einde en je zegt: kijk,
hier heb je zijn schoenen, leren mantel, wanten.
'Waar is de tijd? Hier is de tijd.'
De hoogte en de diepte (8)

De historische werkelijkheid
Is dit nu de werkelijkheid, deze stilte
van uitgewerkt hout in een uitgewoond huis
dat zoals geblakerd vaatwerk in vitrines
een zaak van gewicht is, door onze voorouders gemaakt?
Of dit: men leefde gebogen over akkers en houtvuren,
verloor de kiezen jong, de kinderen jong,
geleund op gereedschap met stelen loerde men
met van tandpijn scheefgetrokken smoelen
naar alles wat anders was (reizigers, mooie vrouwen).
Soms werd een hooivork in het onrustbarende gestoken.
Men rook niet lekker, men was in het algemeen
in geen enkel opzicht lekker, men sloofde wat af,
er werd in god en honderdduizend gedetailleerde zonden geloofd,
men slachtte varkens om te eten en vreemden
omwille van rust in het hoofd?

De hoogte en de diepte [8]
Wanneer de Romanticus slaapt, verandert de glijbaan in
een trap. Ergens in een toren zit hij, een stenen trap die
tot de sterren reikt. Leven is lopen, denkt het hoofd. Je
klimt en klimt en als je moe wordt, ben je oud. En als je
niet meer verder kunt, ga je dood.
Oud probeert er iets gezelligs bij te denken.'Tegelijk
lopen en praten is wel leuk,'zegt ze. 'Dan liepen we daar
met zijn allen. Af en toe een pauze om iets te eten. Een
picknick op de wenteltrap.'
'Je snapt het niet!' zegt het hoofd ongelukkig. 'Er is
niets, niemand, alleen die trap. Het is er pikdonker, je
moet alles op de tast doen. Je schrikt je rot als je iemand
tegenkomt!'
'Er zijn dus wel andere mensen?!'vraagt Oud.
'Af en toe iemand die naar beneden loopt,' zegt het
hoofd. 'Die is al boven geweest, die weet waar het
allemaal om ging, die heeft helemaal bovenaan het antwoord
gezien. Maar wij klimmen nog en wij zijn dom, dus zo
iemand praat niet tegen ons. En de rest klimt naar boven,
onder ons en boven ons, maar die zien wij nooit, want ze
lopen even snel als wij. Daarom denken wij dat we helemaal
alleen zijn, op die paar wijze mensen na, bedoel ik.
En in het donker kunnen we díe niet zien. We voelen hoe
hun kleren langs ons strijken, eens in de duizend jaar of
zo, en misschien zijn we dan wel zo in de war van de stilte
en het klimmen, dat we denken dat daar een heks loopt of
een nijlpaard, of God.'
'Waarom gaan we niet gewoon naar beneden?'vraagt
Oud. 'Weg daar, lekker op de grond staan?'
'Dat kan niet,' zegt het hoofd. 'We leven, dus we klimmen.
Tenminste, als het waar is van die trap.'
'En als het niet waar is?'
'Dan liggen we hier gewoon in bed. Dan klopt het wat
we zien, dan is dit hier de waarheid. De muur, de stoel
met de kleren, de zwarte gordijnen, de slapende zusjes.'
'In elk geval weten we daar de weg,' zegt Oud. 'We hoeven
maar een kant op: naar boven. We kunnen daar niet
verdwalen.'
'Dat is zo lekker van die trap,'zegt het hoofd.
Ze staren zusterlijk naar het plafond. Ze zwijgen en
klimmen,zwijgen en klimmen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen